Preek week 46, 2007 Preek week 46, 2007
Preek van de week 46




Willen kunnen wandelen over het water


Dit is een van de meest boeiende scènes uit de bijbel, een scène die menigeen wel eens bezig gehouden zal hebben.
Want dat wandelen over dat water, hoe moet je daar nou tegenaan kijken.
Zou dat nou echt zo gebeurd zijn?? En zouden ook wij, in navolging van Christus,
dat misschien ooit nog eens kunnen, evenals Petrus, als we maar genoeg gingen vertrouwen op God?



Als je eens kijkt, hoe zo tegen dit gebeuren wordt aangekeken, kun je merken dat de meeste mensen natuurlijk gelijk afhaken,
en zeggen: dat lukt natuurlijk nooit. Niemand zal dat ooit kunnen doen, over water wandelen.
Jezus misschien dan nog wel, maar wij, wij gewone mensen niet.



Een mooi motief voor het maken van grappen


Maar ook dat Jézus toen over het water heeft gewandeld, wordt soms nog wel eens belachelijk gevonden,
of er worden in ieder geval schuine grappen over gemaakt.
Samen met een andere scène uit de bijbel, namelijk dat Jezus water in wijn verwandelt,
wordt deze scène, dat Jezus over het water wandelt, nogal eens grappig uitgebeeld.
Dan zie je in films Jezus over het water sjezen, alsof hij een Jetskys rijdt, of dan worden er grappen gemaakt,
bijvoorbeeld als iemand eens in het water in gevallen, zo van: “had je nu maar als Jezus over het water kunnen lopen,
niet waar?! Dan was je pak droog gebleven.” En samen ga je daar van harte om glimlachen, ja, wat zou dát wat fijn zijn en hándig zijn,
als je als gewoon mens over water zou kunnen lopen, evenals Jezus.
Maar dat kan natuurlijk niet!



Een ernstig motief: het verlangen naar redding in stormen


Dat kan natuurlijk niet! Zoiets is onmogelijk! Echt onmogelijk.
Hoe zeer je ook je best doet, ook met je vertrouwen op de Heer.
Toen in het begin van de vorige eeuw het grote schip Titanic’ ten onder ging,
baden heel veel mensen tot God, maar ze gingen toch gewoon mee ten onder.
Het is jammer, maar helaas is het gewoon niet zo dat God ons, als wij maar vol vertrouwen tot Hem zouden bidden,
ons dergelijke vormen van ellende en sterven zal besparen.



De zee, ja eigenlijk heel onze wereld, is soms gewoon één grote afgrond, en door schade en schande wijs geworden,
zijn wij dan haast geneigd om te zeggen dat er tegen de dood, maakt niet uit in welke gedaante hij tot ons komt,
uiteindelijk geen redding bestaat.
Uiteindelijk zal de dood ons als een afgrond met ons meevoeren, evenals hij het heeft gedaan met heel veel drenkelingen op zee,
die niet op tijd gered konden worden.
Onze werkelijkheid toont soms wat dat betreft, een onvoorstelbaar hard gelaat.



Angsten


En een gevolg daarvan is, dat wij báng worden.
Dat we dan ook wel eens ángst kunnen beginnen te krijgen, vooral wanneer – zoals dat in de tekst staat – het nacht is om ons heen,
pikdonker, en we in ons leven te maken krijgen met fikse tegenwind, en met golven die over ons heenslaan.
Dan wordt je bang, wetend dat de afgrond er is.



En dan proberen we ons, natuurlijk ook, met z’n allen, zo veel mogelijk tegen deze afgrond te beveiligen.
Dan proberen we, tegen de zee, de stormen op zee en de stormen in ons eigen leven, van die dijken te bouwen,
een beschutting, een veilige wereld, door niet al te veel risico’s te nemen, door veel geld te geven aan de kankerbestrijding
bijvoorbeeld, door onszelf gezond en sterk en fit te houden, of ook: door ons te vertroosten met allerlei vermaak aan de dreiging voorbij:
amusement hoog in het vaandel, zodat wij de dreigingen niet hoeven te zien.
Ook dat hebben ze toen op de Titanic gedaan: tot op het laatst muziek gespeeld, vrolijke liederen, om de ondergang dan maar,
als je hem toch moet ondergaan, zo kort mogelijk te laten lijken. – Dat mag je dan misschien, als je dat vanuit afstand zo beziet,
wel belachelijk vinden, maar wij zouden denk ik, als ook wijzelf in eenzelfde soort situatie terecht zouden komen,
precies hetzelfde doen, er ook volop aan meedoen.
Want wat moet je anders ook!? Als de dreiging er gewoon is!
Echt reëel aanwezig is!
Het heeft dan ook geen zin, je angst oneindig te vergroten door je er alsmaar eerlijk op blind te blijven staren, natuurlijk!



Je angsten de baas willen worden


Zo zien we, dat het bericht, het feit dat Jezus toen 2000 jaar geleden over het water heeft gewandeld,
bij ons, ook in onze moderne tijd, van allerlei reacties en gevoelens losmaakt,
van: grappige opmerkingen in de zin van: dat zou handig zijn, als ook wij dat zouden kunnen,
tot aan het ernstige, diepernstige verlangen, om midden in je eigen leven, dicht bij een gapende afgrond,
inderdaad gered te willen worden.
Wat zou dat fijn zijn, als het tóch zou kunnen gebeuren, dat je het water dat over je heen walst,
echt de baas zou kunnen worden. Wat zou dát fijn zijn!



Laten we dan ook maar gerust de vraag gaan stellen: wat wil je ons eigenlijk meegeven voor vandaag de dag? Wat is het wat je ons wilt verkondigen!
Ons mensen van vandaag, die toch wat klem zitten in een wereld waarin nog zoveel wonderen moeten gebeuren om haar beter te maken,
maar waarin die wonderen ook lang niet altijd gebeuren!
Wat is het dan toch, dat de tekst, dat God, dat Jezus ons wil meegeven?



Misschien, denk ik dan, misschien wil Hij ons wel uitnodigen, om nog weer eens helemaal ánders tegen de tekst,
en onze leefwereld aan te kijken.
Anders tegen de tekst en onze wereld aan te kijken, dan wij het over het algemeen gewend zijn.
Wij kijken vandaag vaak naar de tekst vanuit onze ángsten en vanuit het gemis, vanuit de tekorten te wij hebben,
vanuit dat wat we nog níet hebben in het leven: het vermogen om ook over dreigend water te kunnen lopen.



Het begin:vraag je niet af wat je allemaal nog niet aankunt en nog niet hebt, maar vraag je af wat je allemaal al wel aankunt,
en aan kansen hebt



Maar in plaats van stil te staan bij wat we nog niet hebben, bij wat we missen in ons leven,
als gevecht tegen wat de angst ons ingeeft, zou je ook – andersom – eens kunnen blijven stilstaan bij wat je nu al allemaal al wél hebt,
aan wonderlijke dingen in je leven. En er dankbaar voor zijn, dat je nog wél bestaat enz.



Lopen over water is helemaal niet onmogelijk: jij doet het nu al!!


Want, kijk, laten we het zo zeggen, “dat lopen over dat water”, dat zien wij vaak als iets dat volstrekt onmogelijk is,
als iets dat voor ons zo echt niet weggelegd is. - Maar anderzijds, is het óók wel weer zo – ik denk dat Jezus dat tegen ons zou willen zeggen – dat wij nu al,
met z’n allen, feitelijk over het water aan het lopen zijn!!
Wij lopen al, met z’n allen, al zo lang, over de afgrond van het leven.
Er had op het grote levensmeer al zo vaak iets kunnen gebeuren, wat ons het langer leven volstrekt onmogelijk had kunnen maken!
Het was daarom eigenlijk ook veel logischer geweest, als wij met z’n allen al lang in dat levensmeer waren verdronken.
Maar het is nog niet gebeurd. Wij leven nog, wij lopen nog steeds over het water!



Kijk, we moeten ons niet blindstaren op de natuurkundige feiten die ons hier in de tekst worden gepresenteerd!
In de bijbel is water,water en is de zee de zee, het meer veel meer en nog ook weer heel iets ánders dan de stof H2O.
In de bijbel staat het water, de zee, het meer voor het leven-zoals-het-is-zonder-genade, voor het leven dat geen genade kent,
voor het leven zoals het is zónder ontferming! Het staat voor het leven zoals het ís! Voor óns leven, zoals het op dit moment al ís! – En het is eigenlijk een groot wonder,
dat wij op dit moment nog in dit leven bestaan! Dit prachtige heilsfeit is alles behalve vanzelfsprekend.
Wij hadden er al lang evengoed níet kunnen zijn!
Zo zoeven wij bijvoorbeeld met een ongekende kracht en snelheid met z’n allen door het heelal en als de aarde ook maar 1 millimeter van haar koers zou afwijken,
zouden wij er zijn geweest, verpulveren in de leegte van de koude ruimte.
Maar dat is totnogtoe nog niet gebeurd, wij zijn er nog. Wonder boven wonder.
Zo zijn er meer dingen waar we ons over kunnen verwonderen, dat wij er nog zijn, en niet al lang de afgrond mee in zijn gesleurd.
Dagelijks zoeven wij met onze auto’s met meer dan 100 km’s per uur over straat, en er hoeft maar dit te gebeuren en wij zijn er geweest.
Maar we zijn er nog.
Geloof je er niet in dat een mens bij machte is over het water van de afgrond te lopen??
Nou, wij zijn het op dit moment met z’n allen al: aan het doen!



Verwonder je over wat je allemaal (al wel) kunt en hebt.


En natuurlijk: iedereen van ons draagt ook wel zo zijn kruisje. Je kunt op je werk worden ontslagen.
Je kunt ziek worden, flink ziek. De relatie met iemand kan echt in puin komen te liggen.
Je kunt in je leven flink tegenwind, tegenspoed ondervinden.
Je hebt het soms niet makkelijk! Je hebt het soms zelfs moeilijk!
Soms slaan de golven van het leven echt over je heen, en dan is het menens!
Maar wat ook vaststaat is dit: totnogtoe ben je er nog, sta je nog overeind!
En schijnt er op tal van manieren ook: lícht om je heen, en rondom de last die,
rondom het kruis dat je dragen moet!



Als we op zoek gaan naar een betekenis van deze tekst,
dan zou Jezus volgens mij vooral tegen ons willen zeggen: ga je niet suf piekeren of,
dat met het wandelen over zee allemaal wel waar kan zijn is en zo gebeurd kan zijn.
Maar kijk eens om je heen: Jij, ja jij wandelt nu ook zelf al over het water, feitelijk.
Zie en verwonder je, en wees dankbaar voor wat je allemaal kunt nog, en hebt!



De opdracht van hogerhand: “houdt goede moed”


En dan zegt Jezus het volgende tegen zijn discipelen: “houdt goede moed” Ja, in de nieuwe bijbelvertaling,
hebben ze het zo vertaald dat Jezus zegt: blijf kalm! Maar dat is werkelijk veel te oppervlakkig vertaald.
Het is hier niet zo, alsof een man tegen zijn vrouw zegt: “Vrouw, rustig nou toch eens!” of een vrouw tegen haar man: “Man, wind je niet zo op!”
Het woord dat daar in het Grieks staat, betekent toch echt: houdt goede moed! (of: zoals de oude Statenvertaling het prachtig vertaald: ”Zijt goedmoeds!”)
Er staat niet: “Wees moedig! Wees een held! Kom op, man, dat moet je toch kunnen hebben, uithouden!”
nee, je hoeft ook de held niet te spelen, die heroïsch, ook zonder een traan te laten, zelf ten onder zou kunnen gaan.
Jezus zegt hier alleen: “Houd goede moed!” Hij geeft ons de opdracht mee: wees maar niet bang, maar optimistisch! Blijf positief!
Want jij bent er nog, en wat nog belangrijker is: “Ik (God) ben er ook nog!”



God naast je: als macht die je maar moet accepteren?


Wat we hier lezen, staat op een interessante manier ook al in het Oude Testament, bij Job (in Job 9: 8), maar daar dan toch ook weer heel anders:
ook bij Job duikt God naast hem op! Als de grote God die wonderen doet!
Ook daar wandelt God op de hoog oprijzende zee! En ook daar ziet Job God als iemand “die mij voorbijgaat en ik zie hem niet”.
Hij glipt langs me heen – en ik merk het niet. – En dan raakt Job, midden in zíjn lijden, helemaal onder de indruk van de grootheid van God,
die alles in handen heeft…, onder de indruk van God als macht die alles in handen heeft!
En aan het einde van zijn boek: gaat Job beven en sidderen voor die macht, en die macht erkennen.
En zich er bij neerleggen: dat zijn eigen lijden, dat menselijks gezien toch best groot is, in feite eigenlijk niets voorstelt bij de onvoorstelbare grootheid van God.
En zo wordt Job het zwijgen opgelegd: hij beseft dat hij tegenover de grote God, die aan hem voorbij trekt,
gewoon niets meer te vertellen heeft. “God is zo groot en ik ben zo klein.
Ik moet maar accepteren, wat Hij met mij doet, wat Hij mij aandoet, ook aan lijden!”



God naast je in Christus: als liefde die zich voor je inzet!!


Maar zo is het niet de tekst bij Matteüs, met de discipelen in de boot en met Jezus die, als God, ook bij hun op de hoog oprijzende zee wandelt en aan hen voorbijgaat.
Hier is het niet de bedoeling van Jezus, de discipelen, evenals bij Job, weer opnieuw ángst aan te jagen met z’n vreselijke goddelijke grootheid.
Hier, hier in het Nieuwe Testament, hier bij Matteüs, loopt God, in de gestalte van Jezus Christus, aan hen voorbij:
in de gestalte van een God die hen liefheeft en die hen met zijn liefde nabíj wil zijn.
En die daarom werkelijk alles voor hen over heeft.
Die zich dan ook in alles voor hen wil inzetten! “Heb goede moed”, zegt Jezus, want jij bent er nog, en “Ik ben er ook nog!”
Ik die nu naast je is, als een goddelijke naaste! Wees maar niet bang!”



Laat in de leven liefde en vertrouwen de plaats innemen van de angst


Er is maar één manier, waarop wij mensen van onze angst voor de zee, van onze angst voor het vallen in het diepe,
van onze angst voor de vloed kunnen worden genezen.
En dat is door de liefde. Door de liefde van een naaste naast ons.
Wanneer ons duidelijk wordt, dat er Iemand is, Iemand met Hoofdletter, die als wij dan niet meer verder kunnen,
het overzicht houdt en die ons vasthoudt als het misgaat.
En die ons altijd weer goede moed inspreekt! Alleen dan komen we van onze angsten in het leven af:
als we leren ‘vertrouwen’, leren ‘vertrouwen’ op het leven?
Op dat alles goed komt? Ja, dat ook! Maar vooral leren vertrouwen, aan het leven voorbij, op Iemand die er dan óók nog is,
als al het andere gaat bezwijken.



Breng de stormen in jezelf tot rust


Datgene wat ons in ons leven altijd bezorgd en angstig maakt, dat moeten we niet aan de kant schuiven.
Dat wat ons bedreigt, is er werkelijk. En kan (en sterker nog: zál waarschijnlijk ook) van alles met ons mensen kunnen uithalen.
Deze dingen moet je in je leven niet níet onder ogen zien of negeren.



Maar wat wij mensen wel kunnen doen, is dit: proberen, ons over al deze dreigingen en angst héén te zetten,
en dan toch maar te proberen, het leven ‘over te steken’!
We kunnen proberen, die angsten die in ons zijn, ‘te boven te komen’, doordat wij proberen, in ons leven steeds meer te beseffen,
en er van doordrongen te raken: dat wij bij alles wat wij zijn en doen nooit uit Góds hand kunnen vallen.
Alleen door niet eenzaam in het schip, ons levensbootje te blijven zitten (en ons dan over te leveren aan de ‘golven’ en de ‘zee’ die ons achteloos heen en weer slingeren…),
maar door op God te ‘vertrouwen’ die als Iemand aan de overkant ons wenkt en die ons nabij komt als een medemens die goddelijk naast ons is,
is het mogelijk de ‘zee’ en de stormen in onszelf tot rust te brengen.



Ik moet in dit verband denken aan wat ik wel eens meemaakt in het zwembad, als ik ’s middags ga zwemmen.
Dan zie je vaak van die heel kleine kinderen, hoe zij het zwemmen leren.
En bij sommigen gaat dat zwemmen dan niet vanzelf.
Zij moeten dan wat bijles hebben, privéles van de leraar.
En ook daar is het dan vaak zo, dat die leraar eigenlijk niets anders tegen de kinderen zegt, dan altijd weer:
“Wees maar niet bang! Ik ben er toch! Ik houd je vast! Er kan je niks gebeuren!”
En vanuit dit vertrouwen, leren de kinderen dan: langzamerhand, geruster en later ook best wel weer: zelfstándig in het leven te staan.
Het weer alleen aan te kunnen. (Want dat is wel de bedoeling hé: dat je het dan later weer alleen kunt!
Je moet niet angstig blijven plakken aan je leraar, en ook aan God niet).



Hou je vast aan een mantel van vertrouwen en geborgenheid


Zo omgeeft ons ook God met een mantel van vertrouwen en geborgenheid.


Moge ons dat ook nog eens overkomen: deze nabijheid van God, midden in de storm van ons leven, en dat wij dan echt gehoorzamen kunnen als Hij tegen ons zegt:
“houdt goede moed!”




Amen.