Preek week 45, 2007 Preek week 45, 2007txt
Preek van de week 45




Wanneer je zo aan verschillende mensen eens vraagt wat het doel van hun leven is,
waar zij voor leven, dan zul je vele verschillende antwoorden krijgen.
Al naar gelang wat iemand gelooft.



Maar ook als iemand helemaal niet gelooft, dan nog kan hij met verschillende antwoorden komen.


Je ziet dan ook vaak bij iemand die helemaal niet gelooft in God of in ieder geval in iets buiten dit leven,
dat die ofwel van zijn korte leven zoveel mogelijk probeert te maken, zo veel mogelijk plezier of een goede carrière,
ófwel zo iemand zoekt zijn doel in het verbeteren van de maatschappij,
het strijden tegen maatschappelijke misstanden.
Je ziet dan ook vele organisaties die zich inzetten voor allerlei goede doelen, waar dan ook vele ongelovigen aan meedoen.



Men zoekt zo naar de zin van het leven.


En ook op ons, christenen, kan deze vraag afkomen.
Waar leef ik eigenlijk voor? Wat heeft mijn leven voor zin?



Wij geloven in God, en in een eeuwig leven.
Maar weten we ook waarom we geschapen zijn? Wat God met ons leven bedoelt?



We kunnen door alle ellende in ons leven wel eens gaan twijfelen of ons leven wel zin heeft.
Of we kunnen door alle ellende in deze wereld ons wel eens gaan afvragen wat nou toch Gods bedoeling is met de schepping.



De Bijbel zegt dat de mens sinds de zondeval niet meer aan zijn doel beantwoordt.
De mens is door de zonde totaal kapot, zodat hij niet meer kan doen waarvoor God hem gemaakt heeft.
En het is daarom nodig dat er een totale omkeer komt, wil ons leven weer zin krijgen.



Maar wat is nou precies de zin van het leven, zoals God dat geschapen heeft, en hoe komt het dat de mens daar niet meer aan voldoet?
Hoe komt het dat de mens er zo ellendig aan toe is? Dat zijn vragen, die hier bij aan de orde komen.





thema:

Wat is de mens?

1. De mens door God geschapen:

2. de mens aan God ongehoorzaam:

3. de mens door de zonde verdorven.





1.) De mens door God geschapen.

Gód heeft de mens niet slecht en verkeerd geschapen. Daar moeten we allereerst mee beginnen.
Hij heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen.
Daarover spreekt de Bijbel duidelijk .


Wanneer wij nu, in deze wereld door ongelovige ogen kijken dan zien we een wereld,
dan zien we leven, dat allemaal maar tijdelijk is. Elk schepsel is sterfelijk.
De één leeft langer dan de ander. Er zijn bomen die honderden jaren leven.
Er zijn ook schepsels, eendagsvliegen b.v., die maar één dag te leven hebben.
Maar aan elk leven komt een eind. En dan is het afgelopen.


Maar wanneer we in geloof spreken over de schepping, dan zien we allereerst inderdaad een wereld,
zoals die nu is, die voorlopig is en waarop de schepselen allemaal sterfelijk zijn.
Maar dan weten we ook dat God dat niet zo geschapen heeft.


Het was niet zo dat God de aarde geschapen had, om daarop alles maar in een kringloop van ontstaan,
leven en vervolgens weer sterven te doen opgaan.


Het was zelfs ook niet zo, dat God een schepping geschapen heeft,
om die pas na verloop van tijd volmaakt te maken, of om die na verloop van tijd weer,
door een andere schepping te vervangen.


Ja, God had niet een schepping geschapen die ineens helemaal af was en waar nooit meer iets aan ontwikkeld of veranderd zou worden.
God had bij de schepping de mens de opdracht gegeven aan het werk te gaan,
om de schepping te ontwikkelen.


Maar het is niet zo dat God een onvolmaakte, gebrekkige, sterfelijke schepping geschapen heeft,
om vervolgens die door een tweede, volmaakte schepping te laten vervangen.


De wereld zoals die nu is, in haar ellende en sterfelijkheid, is puur het gevolg van onze zonde.


Wanneer wij in de Bijbel lezen dat God aan het werk is om de wereld te verlossen,
dan is het doel van die verlossing van deze wereld dat de oorspronkelijke schepping hersteld wordt.
En tegelijk ook dat die schepping, zonder zonde en ellende, tot voleinding gebracht zal worden.
Dat wil zeggen, dat het uiteindelijke doel, dat God had met de schepping tóch bereikt wordt.
Dat de ontwikkeling die God in de schepping gelegd had, en die de mens eruit moest halen,
dat die ontwikkeling in de nieuwe schepping ook zichtbaar is.
En dat is dan een volmaakte ontwikkeling.


De mens is nu ook bezig met de ontwikkeling van de schepping,
maar dat gaat gepaard met heel veel zonden en gebreken.
En lang niet elke ontwikkeling brengt nu vooruitgang.


Maar in de nieuwe schepping zal het allemaal wel volmaakt zijn.
Het zal prachtig zijn.
Het zal allemaal heel goed zijn.
Net zoals het ook allemaal heel goed en mooi zou zijn als de mens,
in de schepping aan het werk gegaan was zonder te zondigen.


Ook zonder zondeval zou de cultuuropdracht gebleven zijn,
dan zou de mens aan het werk gegaan zijn om de aarde te ontwikkelen,
om uitvindingen te doen, om verder te komen.
Zo had God het gewild. Hoe het dan precies allemaal gegaan zou zijn, dat kunnen we nu moeilijk zeggen.
Dat is allemaal maar speculatie.
Maar dát het zo gegaan zou zijn, dat valt wel op te maken uit de cultuuropdracht die God vóór de zondeval al gegeven had.


Door de zonde hebben wij, mensen, onszelf en heel de schepping in de ellende gestort.


Maar God laat Zich daardoor gelukkig niet verhinderen zijn plan uit te voeren.
Hij blijft  werken naar de voleinding, de voltooiing van heel de schepping, zoals Hij die Zich voorgenomen heeft.


En nu de wereld door de schuld van ons, mensen, in zonde ligt, zal Hij deze wereld ook verlossen van alle zonden,
en alle ellende die er door de zonde in gekomen is.


God had heel de schepping goed geschapen.
Maar door de zondeval van de mens heeft de mens de schepping verdorven.


God had ook de mens goed geschapen. En van de mens wordt gezegd dat hij geschapen was naar het beeld van God.
Dat wil zeggen, in ware gerechtigheid en heiligheid.


Met als doel, dat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou,
om Hem te loven en te prijzen.

En daar zijn we bij het doel van het mensenleven. Daarvoor heeft God de mens geschapen.


Met als uiteindelijke doel, dat de mens met God in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.


Dat was al het doel van de eerste schepping.


En dat is nu nog steeds het doel van God met zijn schepping. En naar dat doel werkt God nu nog steeds toe.
Naar dat doel zijn wij ook nu nog steeds op weg.


En daarom kunnen we nu ook zeggen, als verloste mensen, dat dat ook het doel is van ons leven nu.
God loven en prijzen, en uiteindelijk met God in de eeuwige heerlijkheid leven.


Wanneer wij nu letten op de mens zoals hij was voor de zondeval, dan moeten we allereerst letten,
op het doel dat God had met de schepping van de mens, naar zijn beeld.


En dat doel ligt in de gemeenschap, de omgang, van de mens met God.


God wil vanuit de wereld die Hij geschapen heeft en die Hij liefheeft,
een antwoord, van de mens, als heer over de schepping, die naar Gods beeld geschapen is.
En God vroeg van de mens een eigen keuze voor Hem.
God wilde dat de mens uit eigen vrije wil, uit liefde voor Hem,
Hem zou gehoorzamen en naar zijn wil zou leven.


God heeft de mens zo geschapen, dat die Hem kon liefhebben.
Dat hij vanuit die liefde voor God kon kiezen.

Maar als God hem alleen zo geschapen zou hebben dat de mens automatisch voor God zou kiezen,
dan zou er geen sprake meer zijn van liefde.


En daarmee komen we tegelijk bij de vraag die ons, althans velen van ons, vaak bezig houdt.
Waarom heeft God ons zo geschapen, dat wij ook zouden kunnen zondigen?
God had ons toch gelijk zo kunnen maken, dat wij volmaakt waren en niet konden zondigen?
In plaats van nu deze omweg, waarbij wij eerst in zonde gevallen zijn en vervolgens weer verlost moeten worden.


Daarbij moeten we allereerst beseffen dat wij ervoor moeten oppassen een oordeel te vellen over wat God doet,
en of Hij het niet beter anders had kunnen doen.
Want we moeten beseffen dat God in zijn oneindige wijsheid voor ons, mensen, vaak moeilijk te begrijpen is.
We kunnen er met ons verstand niet bij. Maar dat wil nog niet zeggen dat het niet goed is wat God doet.
Paulus zegt daarover dat het dwaze van God wijzer is dan de mensen.
Dat God zo werkt daar zit een wijsheid achter, waar wij niet bij kunnen.


Maar daarnaast moeten we ook bedenken, dat God ook een mens had kunnen maken,
die alleen maar vóór God kon kiezen, die geen zonde kón doen, die nooit tégen God zou kunnen kiezen.
Dat had God best kunnen doen.


Maar die liefde zou dan geen echte liefde zijn.
En het antwoord van de mens was dan ook geen werkelijk antwoord, maar om het zo te zeggen,
een voorgeprogrammeerd antwoord.
Als een ding, een machine, een robot, die alleen maar doet wat je hem van te voren hebt opgegeven om te doen.
Maar daarmee wel een apparaat zonder gevoelens, zonder enige mogelijkheid om liefde te tonen.


Wanneer je als jongen of als meisje verliefd bent, bijvoorbeeld en je vraagt voor het eerst aan de ander:
hou je van mij? Als de ander dan ja zegt, dan zul je daar natuurlijk dolgelukkig mee zijn.


Maar stel nou eens dat je aan je computer zou vragen:
hou je van mij, en hij zou met ja antwoorden, stel dat hij dat zou kunnen, dan weet je dat dat alleen maar kan,
omdat die zo voorgeprogrammeerd is.
Dat zou absoluut niet te verglijken zijn met je vriend of je vriendin, die ja tegen je zei.


God wil met de mensen omgaan als met levende wezens, die zelf gevoel en verstand hebben,
en die zelf een keuze kunnen maken.
Een keuze uit echte liefde. En niet omdat God hem nou eenmaal zo gemaakt heeft dat hij niet anders kon,
dan alleen maar voor God kiezen.


Daarom had God de mens een eigen verantwoordelijkheid gegeven.
De mens moest een keuze maken.
Hij moest een vrije en zelfstandige beslissing kunnen nemen.


Want dat is pas echte liefde, als de mens uit eigen keuze God liefheeft. Als hij zélf voor God kiest.


Maar die eigen verantwoordelijkheid houdt dan dus ook in dat de mens verkeerd kan kiezen, tegen God.
Hij zou ook Gods liefde kunnen afwijzen.
Wel heeft Gód de mens góed en naar zijn beeld geschapen.
De mens was op God gericht, positief goed, het beeld van God.
Hij kende God in gerechtigheid en heiligheid.
En hij leefde vanuit het geloof.
Vanuit het vertrouwen op God.


Want door het geloof kende Adam God.
Door het geloof aan het Woord van God, aan wat God tegen de mens zei,leerde hij antwoorden.
Hij geloofde God op zijn Woord, en dat was omdat hij God liefhad.


En toch leeft de mens nu in de ellende, zonder dat hij nog het vermogen heeft om iets goeds te doen, uit zichzelf.





2.) de mens aan God ongehoorzaam.


En daarmee komen we aan bij de vraag naar de oorsprong van onze ellende.


Wie is er verantwoordelijk voor al deze ellende?


Al dat leed en verdriet op deze aarde: die oorlogen waarin mensen elkaar uitmoorden.
Als het in het ene gedeelte van de wereld weer wat rustiger is, dan laait de onrust wel weer ergens anders op.


En overal op de wereld zijn er mensen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.
Of die gewoon uit sensatiezucht andere mensen lastig vallen en aftuigen.
Ook in ons eigen land.
Wat kunnen mensen elkaar allemaal niet aandoen?!


Maar er zijn ook mensen die door allerlei leed getroffen worden, wat hun nog niet eens door andere mensen aangedaan wordt.


Die bijvoorbeeld getroffen worden door natuurrampen en ziekten.
En dan hoor je ook regelmatig de vraag opkomen: hoe kan God dit toelaten!?!?
Als God dan de wereld bestuurt, waarom moeten we dan dit meemaken?
Hoe kan God dit toelaten?


Maar we moeten ons er wel goed van bewust zijn dat dit alles door ónze schuld gebeurt.
Je kunt natuurlijk makkelijk God er de schuld van gaan geven, om zo niet zelf die schuld te hoeven dragen.
Dan kun je God gaan verwijten dat Hij hard en liefdeloos is als Hij dit toelaat.
Maar we moeten allereerst goed beseffen dat dit door onze schuld zover gekomen is.
Door onze zonde, onze ongehoorzaamheid.


De zonde en ongehoorzaamheid, die nog steeds elke dag bij ons is.
Want daardoor kan de zonde zijn verwoestende werk op aarde blijven doen.


Ook door mijn schuld is het dat mensen daar moeten lijden.
Want al dat lijden, al die ellende, dat is allemaal het gevolg van onze zonde, onze slechte aard.
Wat mensen elkaar aandoen.
En ook allerlei rampen in de schepping.


Voor de zondeval was het allemaal goed.
Na de zondeval is het allemaal gekomen. Al die ellende.
Het is het werk van de satan, die bezig is heel de schepping kapot te maken.
Maar wij hebben de satan daarvoor de kans gegeven.
En wij geven hem telkens weer de kans.


De mens als koning over de schepping, had de satan tegen moeten houden.
En dat kon, door volkomen gehoorzaam te zijn aan God en te doen wat Hij zei.
Maar in plaats daarvan liet de mens de satan toe op aarde en ging zelfs doen wat de satan zei.


Wie heeft er dan schuld aan dat al die ellende op aarde kan gebeuren? De mens toch?


We moeten niet God de schuld gaan geven dat Hij dit toelaat.
Het is de mens zelf die het heeft toegelaten.


De Bijbel zegt ons dat het kwaad door de zonde in de wereld gekomen is.
Eerst was alles alleen maar goed.


Ons afkeren van God, de wil van de mens om als God te zijn, in plaats van God te gehoorzamen,
dat is de oorzaak van alle ellende die we over ons gebracht hebben.


God heeft de mens goed geschapen.
En het doel van de schepping van de mens, dat was Gods eer.


God schiep de wereld, tot zijn eer.
God schiep de mens, zodat die zijn lof zou bezingen.


Heel de wereld was een prachtwerk van God.


We kunnen dat nu nog, als we met gelovige ogen kijken, ten dele zien in de schepping.


En de mens is door God geschapen als hoofd over de schepping: als koning.


De mens was goed geschapen.
Net als heel de schepping.


Omdat God door de mens geëerd en gediend wilde worden.
God dienen. Dat was ons doel, dat is nu nog steeds ons doel. Ook nu nog.


God wil met ons om gaan, God wil door ons gediend en geprezen worden.
Dat is ons levensdoel.


De mens is geschapen om God te eren.
Dat betekent ook dat de mens zelf op zijn best is wanneer hij daarmee bezig is.

Tegenwoordig lijkt die opdracht, het dienen van de HERE,
moeilijk en zwaar, meer een verplichting dan blijdschap.


Maar ook dat is een gevolg van de zonde.
We kunnen het doel waarvoor we geschapen zijn, niet meer bereiken.


En juist daar speelt de satan ook nog eens op in. Hij doet ons nou juist geloven,
zoals hij het trouwens ook bij de zondeval al deed, dat het dienen van God helemaal niet mooi is,
maar dat dat slavenarbeid is. Je moet jezelf daarvan bevrijden, dan wordt het leven mooi.


Dat heet: De zaken anders voorstellen dan ze zijn...


Dat is steeds de manier van werken van de satan.
Hij wil opzettelijk de indruk wekken dat Gods geboden streng zijn,
en dat wij niets mogen en alles moeten.
Wanneer wij zo praten over onze christelijke levensstijl, dan is dat een manier van praten die door de duivel ingegeven is.
Hij was daar al in het paradijs mee bezig.


Ook tegenwoordig wil de satan nog steeds bij ons een gevoel van tegenzin opwekken tegen al dat moeten,
om ons te doen twijfelen aan Gods geboden.
Het staat dan wel in de Bijbel, maar we vinden Gods geboden eigenlijk helemaal niet zo leuk, helemaal niet zo plezierig.
En daarom nemen we het met die geboden vaak ook niet zo nauw.


Maar de mens is door God zo geschapen, dat hij van nature erop uit was om naar Gods wil te leven.
De mens was goed, rechtvaardig en heilig geschapen.
En dat betekent dus ook dat het voor de mens zijn lust en zijn leven was om naar Gods wil te leven.
Omdat de mens daarmee aan zijn doel beantwoordde.


En daarom moeten we ook weten, dat als God ons verlost en nieuw leven geeft,
met het doel om Hem eeuwig te loven en te prijzen, dat dat niet saai, niet vervelend voor ons is,
maar dat dat voor ons dan het toppunt van plezier is.


Dáár heeft God ons voor geschapen. Dat alleen zal dan ook ons leven mooimaken.


Feestvieren voor God.
Alleen dan wordt ons leven werkelijk feest. Groot feest!


En dit is in tegenstelling tot wat wij graag geloven, i.t.t. wat de satan ons graag doet geloven.
Nl. dat al die wereldse feesten, dat uitleven in eten en drinken en vrolijk zijn,
dat dat het mooiste is wat je kunt krijgen.
Dat zijn allemaal maar feesten die tijdelijk vertier geven en vervolgens weer een grote leegheid achterlaten,
die op alle mogelijke manieren opgevuld moet worden.


Onze ellende is nu juist dat wij door onze eigen zonde zo verdorven zijn,
dat we niet meer kunnen functioneren zoals God ons geschapen heeft,
maar dat we juist het tegenovergestelde doen.
Zondigen. God en onze naaste haten.
Maar we zijn al jarenlang verontwaardigd over wat wij zinloos geweld noemen.
Maar de samenleving wordt er niet minder gewelddadig door.
En wij genieten er zelf wèl van als op t.v. allerlei vormen van geweld ons moeten vermaken.
We zijn heus niet beter dan die jongelui daar in Amsterdam, toevallig omdat wij niet rotzooi getrapt hebben.
Alle mensen zijn net zo zondig.
Allemaal erop uit om voor onszelf op te komen, ten koste van de naaste.


En vooral ook zelf ons leven willen bepalen.
Het zelf voor het zeggen willen hebben. Zelf willen zijn als God.


Niet meer met God om gaan, maar zélf als God willen zijn.
Dat lijkt ons het allermooiste: het over alles en iedereen te zeggen hebben,
en alles naar je hand kunnen zetten.


Als het aan onszelf lag, en als de Heilige Geest niet in ons aan het werk was,
dan zou dat inderdaad het einde zijn voor ons: de baas zijn over alles en iedereen.
Het over alles en iedereen te zeggen hebben. Met niemand rekening hoeven houden.


We hebben overigens tegenwoordig gauw de neiging om de schuld van onze zonden op de duivel te schuiven.
Die is er eigenlijk de oorzaak van dat wij zonde doen.


Maar dat is absoluut niet terecht.
Wij blijven zelf verantwoordelijk voor onze zonden.
Omdat wij ze ook zelf doen. De duivel probeert ons wel te verleiden.
Maar wanneer wij die zonden niet wíllen doen, dan kan de duivel ons daartoe ook niet dwingen.


Zo was het ook in het paradijs. Het was uiteindelijk Eva, die zelf van de vrucht van de boom nam en at.
En het was uiteindelijk Adam, die naar zijn vrouw Eva luisterde, en ook van de vrucht at.
Het was uiteindelijk de mens zelf die de zonde deed en zich daarmee in de ellende stortte.


Daarom zegt het woord ook, dat deze verdorven aard van de mens voortkomt uit de val en de ongehoorzaamheid,
van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs.


Niet van de satan. Het is niet door de satan dat de zonde in de wereld gekomen is.
Het is door de mens zelf. De mens heeft gezondigd.
De mens gaf de satan de gelegenheid om zijn verwoestende werk hier op aarde te gaan doen.
En de mens is daar dan ook voor verantwoordelijk.




3.) de mens door de zonde verdorven.

Het woord wijst hiermee aan waar onze zonde vandaan komt.
Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs.
Toen is de zonde de wereld binnengekomen.


Maar niet alleen de wereld, maar heel ons leven. Want, het woord zegt vervolgens,
daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.


De zonde was en is zo'n verschrikkelijke, vernietigende macht, dat wanneer wij ons daar éénmaal aan overgeven,
wij er ook volledig door aangetast worden.
Zelfs zo, dat de mens, totaal verdorven, ook verdorven kinderen voortbracht.
De Dordtse leerregels spreken van een voortplanting van de verdorven natuur.


De hele aard van de mens was verdorven geworden.
En zodoende kon hij ook alleen maar verdorven kinderen voortbrengen.
Want zoals onkruid geen koren voortbrengt, zo kan een verdorven mens geen volmaakte kinderen voortbrengen.
Zo zou je het kunnen vergelijken. De mens is tot in de wortel verdorven.


En dat is het ook wat Paulus ons zegt in Romeinen 5.
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood.

Door die erfzonde zijn wij bij onze geboorte al verdorven.
Daarvoor al. We worden in zonden ontvangen en geboren.


En vervolgens doen wij ook zonde.
Wij kunnen God daarvan niet de schuld geven.
God is niet onrechtvaardig.
Want het is de schuld van de mens zelf. De mens zelf heeft gezondigd, en zondigt nog steeds.
Geen mens is er die goed doet.


Waar halen wij, mensen, het recht vandaan om God ter verantwoording te roepen voor iets,
waar wij zelf schuld aan hebben?


Het past ons meer onze zware schuld te kennen en te erkennen.
Want alleen dan zullen we ons laten wijzen op de enige mogelijke uitweg die er is.
En daar wijst het woord ons dan ook op. Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn,
tot iets goeds en uit op elk kwaad, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden.
Er is uitzicht in deze ellendige situatie.
Maar die uitweg is alleen mogelijk wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden.


God wil ons in zijn Woord zo sterk doordringen van onze ellendige situatie,
dat wij goed beseffen dat we nergens anders onze redding kunnen vinden,
dan alleen bij Hem.


Laten we ons dan ook door God van onze ellende overtuigen, ook ten volle overtuigen.
Laten we dan ook beseffen dat we onze Here Jezus Christus als Redder hard nodig hebben en,
dat we zonder Hem in de eeuwige dood en ellende leven.


Laten we dan ook ons volledig overgeven aan Gods genade.



Amen.