Preek week 42, 2007 Preek week 42, 2007
Preek van de week 42




Nou gaat het deze week over Kronieken.
Twee bijbelboeken die zo heten: 1 en 2 Kronieken.
wij lezen 1 kronieken 10:geheel
Maar wat zijn dat dan, kronieken, wat bedóélen we daarmee?



Weet je, als ik het nou heel simpel zeg: Kronieken, dat zijn boeken waar je in kunt nalezen hoe het vróéger was;
wat er toen allemaal gebeurd is.
En wat zou er dan in zulke kronieken staan? Zou daar álles in staan wat er gebeurd is?
“Op maandagmorgen at kleine Jantje van de slager twee bruine boterhammen met kaas
en één witte met hagelslag voor hij naar school ging” -- zou dat er in staan, denk je? .....
Nou, ik denk het ook niet. Wat dan wél? .....
De grote, de echt belángrijke dingen, voor een land, of voor de wereld.



Kijk, als Jantje z’n vriendje op school een klap geeft, dan is dat niet léúk, maar dan komt de meester of de juf er bij, en die zegt:
“Hé jij, dat mag niet” - en daar hoort verder nooit meer iemand wat van.
Maar als een kóning of een presidént zoiets doet -- als die bijvoorbeeld de baas van een ander land een klap geeft:
ja, dan is ‘t wel even anders; dan heb je zomaar een óórlog.
Kijk, en dát staat nou in zulke kronieken. Niet omdat een koning of een president belangrijker is dan júllie -- want dat is hij niet, hoor;
misschien vindt God jou wel veel belángrijker -- maar wél omdat wat hij zégt en wat hij dóét veel grótere gevólgen heeft dan wanneer jullie of ik iets doen of iets zeggen.
Nou, en dat staat in Kronieken. De belángrijke dingen uit de geschiedenis van het volk Israël.
En dat betekent natuurlijk ook: de belangrijke dingen die Gód gedáán heeft, in de geschiedenis van Israël.
Daar gaan we ‘t deze week over hebben.



Ik kan mij goed voorstellen, toen we die stukjes lazen uit Kronieken, dat toen de vraag bij u opkwam: Hé, maar hebben we dat allemaal al niet een keer gehád?
David, Salomo, al die andere koningen: daar ging het toch óók al over in 2 Samuël en in 1 en 2 Koningen?
Moet dat nou nóg een keer verteld worden?
Ja, goeie vraag. Wáárom nóg een keer hetzelfde verhaal?
Mag ik probéren, broeders en zusters, daar een antwoord op te geven;
Heel kort door de bocht: in Samuël en Koningen vind je de geschiedenis van het koninkrijk van Ísraël; Kroníéken vertelt de geschiedenis van het Koninkrijk van Gód.
Sámuël en Kóningen beschrijven de geschiedenis meer van ónderaf, Kroníéken beschrijft diezélfde geschiedenis, maar dan van bóvenaf.



Want lieve mensen, dat weten we allemaal, en soms ervaar je het aan den lijve, ook wel eens heel pijnlijk,
dat het in de geschiedenis zo door elkaar héén ligt; Gód is aan het werk, ja, maar er zijn ook ménsen aan het werk.
En soms is het een wirwar, het is een kluwen, en je weet niet: is dit nou Gód, of zijn het ménsen.
Sóms zíé je het; maar vaak is dat dan áchteraf, zeg maar van een afstandje;
op het moment zélf kon je er geen wijs uit: Wat is nou de weg, hoe is God hier bezig?
Is Hij hier eigenlijk bezig, of is ‘t énkel maar iets van mensen...
Nou, dát soort dingen, dáár gaat het om.
Wat Kroníéken doet, dat is: aanwijzen hoe God Zijn weg gegaan is door de geschiedenis, door die gigantische wirwar heen,
van al die dingen die er gebeuren in het leven.
Kronieken neemt je bij de hand en zegt: “Moet je eens kijken: zó loopt de lijn; zie je ’m nou?”
Dáárom, begínt Kronieken ook hélemaal aan het begin, bij Ádam.
Want het gáát om het Koninkrijk van Gód; en dat begint níét pas bij Saul of bij Dávid -- dat is ‘t begin van het koninkrijk van Ísraël --
maar het Koninkrijk van Gód was al begonnen bij de schépping; tóén al was Gód koning van deze wereld, van de schepping.



Wacht even; we hebben het begín gelezen van Kronieken; maar we hebben ook het éínd gelezen.
Ik weet niet of het u opgevallen is, maar Kronieken éíndigt na de ballingschap:
de Perzische koning Kores laat de ballingen van Juda teruggaan naar Juda en naar Jeruzalem.
Kóningen -- 2 Koningen -- eindigde ánders. Dat eindigt in de ballingschap.
Dat eindigt met het óórdeel. Goed, koning Jojachin wordt dan op z’n ouwe dag nog uit de gevangenis gehaald,
maar voor het vólk eindigt het in de duisternis; het verhaal is óver, ‘t is afgelopen.
Koningen eindigt in de díépte.
Kroníéken níét. Kronieken eindigt met het nieuwe begin; het gaat tóch nog door; ongelooflijk!
De Joden mogen terug naar hun eigen land.
Heerlijk! Ja.
Máár...



Ja, er zit een groot Maar aan. En daar moet ik u over vertellen. Omdat het heel typerend is voor Kronieken.
Want lieve mensen, er ontbréékt wat in Kronieken. Wat wél in Kóningen stond.
En dat is verschríkkelijk; dat is ontzéttend. Het héle Tien-Stammenrijk komt er niet in voor.
In Kóningen stonden ze naast mekaar: Tíén- en Twéé-Stammenrijk -- want dáár ging het over de geschiedenis,
van het koninkrijk van Israël -- in Kroníéken gaat het níét over het Tien-Stammenrijk, alléén maar over het Twéé-Stammenrijk ----
mensen, begrijp je waaróm; begrijp je wat dat betekent?
Dat betekent dat de geschiedenis van het koninkrijk van Gód búíten het Tien-Stammenrijk óm loopt.
Het hoorde wél bij het koninkrijk van Israël, maar het hoort níét bij het koninkrijk van God.




Ik zei daarstraks dat je van een afstandje soms beter ziet hoe God werkt; dat is wáár,
maar dat is ook wel eens heel móéilijk.
Want dan zie je óók -- lieve mensen, het is huiveringwekkend! -- maar dan zie je óók welke wegen dóódlopende wegen waren.
Die zijn er, in Gods Koninkrijk. Er zijn dóódlopende wegen. En daar kun je als volk, daar kun je ook als méns op terécht komen;
op zo’n doodlopende weg.
Een weg die níét eindigt in Gods Koninkrijk, maar alléén in de ondergang, alléén in de duisternis.
Mensen, dát is Kronieken. Aan één kant práchtig! Want God gaat dóór!
Vanáf Adam tot na de ballingschap, dóór het oordeel heen, door de dóód heen.
Léven; omdat Gód het geeft. Maar aan de ándere kant is Kronieken verschríkkelijk; want God gaat dóór:
niet met het héle volk Israël, maar met een déél; en er valt ook wat áf; er is onvruchtbaarheid, er is oordeel.




Broeders en zusters, waarom benádruk ik dat nou zo? Om twee redenen:
In de eerste plaats omdat ik graag wil dat u God serieus neemt. Ik kom soms het idee tegen van:
Ach mensen, maak je niet druk, ‘t komt allemaal best wel goed; aan ‘t eind van de rit krijgen we allemaal een aai over onze bol,
en dan zeurt God nergens meer over.
Lieve broeders en zusters, wilt u alstublieft schrikken? Wilt u het zíén: dat het wel degelijk fout kan aflopen?
Dat het maar niet een kletspraatje is van de Almachtige, maar dat Hij het méént?
En dat je het dus écht moet geloven; anders wórden er takken afgehakt, en die vállen naar beneden,
en die dragen geen vrucht, en die worden in het vuur gegooid en verbrand.
Lieve mensen, ik vertel liever ándere dingen, natúúrlijk; maar dit is er óók; dat is óók wat God tegen ons zegt in de Bijbel.
En daar moet je naar luisteren. En als het nódig is, dan moet je je bekéren.
Want dát is wat God wil: níét dat je in het dúíster zult eindigen, maar dat je je op tijd zult bekéren, en zeggen:
Ik ben fout bezig; ik wil bij Gód horen, hélemaal.
Zoals de Here -- ‘k heb dat eerder al eens gezegd -- er ook álles aan gedaan heeft om het niet zo ver te laten komen met het Tien-Stammenrijk.
Echt, Hij wil maar één ding, en dat is dat het góéd zal komen. Maar dan moet jij wel luisteren.
En als je dat álmaar níét doet -- zoals het Tien-Stammenrijk dat almaar niet deed -- dan respecteert God dat;
als dát jouw keus is, als jij almaar zegt: “U kletst maar een end weg, ik doe toch lekker waar ik zelf zin in heb”
-- lieve mensen, dan komt er een moment waarop God zegt: “Mens, jouw wil geschiede”.
Het ómgekeerde dus van wat Jezus ons heeft leren bidden. “Uw wil geschiede” leert Jézus ons.
Maar dan keert God dat om: “Mens, nu laat Ik jouw wil geschieden. Als dit jouw keus is, als jij déze weg kiest,
óndanks alles wat Ik zeg --- goed, laat het dan nu maar gebeuren zoals jij het wilt.
Je wilt zonder Mij leven; lééf dan nu ook: zónder Mij”.
En dan wórdt het donker, mensen; dan houdt het leven op; dan is er geen toekomst meer;
dan sluit God het boek; en dan komt in Kronieken het Tien-Stammenrijk niet meer voor.
Ik wil graag dat u en dat jij God serieus neemt.




“Maar”, zeggen nu mensen, “dit kan niet waar wezen. God heeft óók aan die tíén stammen Zijn beloften gegeven,
Hij is trouw; en daarom kán het niet zo zijn dat het Tien-Stammenrijk écht, hélemaal weg is.
Dat is níét mogelijk. Die móéten nog ergens terúg te vinden zijn”.
Let wel: ik heb het nou dus níét over mensen die zich er makkelijk vanaf maken -- zoals daarnet:
“’t Zal zo’n vaart niet lopen”, op die manier -- nee, nu gaat het om mensen die uitgaan van de trouw van God.
Dat is dus eigenlijk heel goed - maar ‘t is wel heel raar ontspoord.
Zo is er al heel lang, wat ze noemen: de Brits-Israël-beweging, dat is een groep mensen die denken,
dat de oude tien stammen van Israël uiteindelijk in Éngeland terecht zijn gekomen.
Nou, dat is natuurlijk een mooi idee, als je toevallig in Engeland woont.
Hoor jij daar toch even bij de oude Tien Stammen van Israël! Fantastisch!
Trouwens, je hoeft er niet voor naar Engeland: je komt het ook hier in Néderland tegen.
‘k Weet niet of u zich de naam herinnert van meneer Heinrich van Geene; die man die leidde een hele rare secte, het Efraïm-genootschap.
Die mensen hadden alles verkocht, want de Bruid zou eind 2001 door God worden opgenomen in de hemel.
Het Efraïm-genootschap. Natuurlijk niet toevállig, die naam; want Efraïm: dat is in de Bijbel één van de namen voor het Tien-Stammenrijk.
Nou, wat zegt die meneer Van Geene? Die zegt: “Eígenlijk zijn wij hier in West Európa de oude tien stammen van Israël”.
En volgens hem kun je dat alleen al aan de vórm van de landen van West Europa zomaar zien.
Als je die als een soort puzzel op de goeie manier aan mekaar legt, dan zie je dat.
Echt fantastisch.
Mensen, dit zijn ontsporingen. ‘t Is práchtig bedacht, maar ‘t is echt puur fantasie.
En bovendien: ook op déze manier neem je het oordeel van God niet echt serieus.
Op een gegeven moment -- vergis je niet -- wórden er, wérkelijk, takken weggesneden.
Dat gebéúrt. Dat dóét Gód. En je mag bídden dat ze ooit weer terúggeënt worden, maar dat is waaráchtig niet zéker; sóms éíndigt het.




Lieve broeders en zusters, we hebben het deze week over Kronieken. Aan het begin heb ik gezegd dat Kronieken herhaling is.
Ja, dat is zo. Maar intussen hebben we ook gezien dat het veel méér is dan enkel maar herhaling.
En daarom voeg ik daar nu een woord aan toe; behalve herhaling is het ook concentratie.
De aandacht concentreert zich op een deel van het volk van God.
Binnen het grotere geheel concentratie op een déél.
Wáárom is dat belangrijk? Nu, omdat het een beweging is die je váker in de Bijbel tegenkomt,
waar iets typerends in zit voor de manier waarop God door de wereld is gegaan.
Denk even mee: het begin is zo breed als ‘t maar kan: de hele schepping, álles deelt daarin.
Dan komt er een eerste versmalling, een concentratie, op dat ene volk Israël.
Dan wéér een versmalling, wéér een concentratie: op een déél van dat volk Israël: Juda, Jeruzalem.
En die beweging, lieve mensen, die gaat dóór. Het wordt álmaar smaller, almaar geconcentreerder,
het gaat steeds meer toe naar het nulpunt van de geschiedenis, de bottleneck, de waterscheiding;
en uiteindelijk staat daar, in het brandpunt van de geschiedenis van God met mensen die ene Man,
God en mens beide, onze Here Jezus Christus; het toppunt van Gods concentratie.
Om mens en wereld te redden.
Zó heeft God het gedaan; zó is Hij Zijn weg gegaan, door de geschiedenis, door de wereld.
Dit is de weg.
En eens te meer zegt Hij: “Kies déze weg. Kies geen dóódlopende weg!
En áls je daarop terecht gekomen bent, ga dan terug!
Want God heeft je geroepen tot het leven!



Amen.