Preek week 51
preek v.d. week 51

deel 3

God woont in ons daar hadden wij het de laatste 2 weken over.
Vorige week eindigde wij met het feit je leven veranderd als God in je woont,
en je wandeld in Jezus.


Laten we eens kijken naar Hebreeën hoofdstuk 4.

En nogmaals, ik dacht vanavond naar een paar andere dingen te gaan, maar de Heer wil dat ik langzaam aan doe,
en dat we dit nog een keer behandelen.
We gaan wat dingen delen, en deze keer gebruik ik voorbeelden uit de Bijbel,
die je dezelfde waarheden laten zien,
waar we al over gesproken hebben.
Want dit is zó tegenovergesteld, zo recht tegenover het meeste van ons onderwijs en onze manier van denken,
dat ik niet geloof dat één keer volstaat om het te vatten.
We moeten dit nógmaals behandelen, en nógmaals en ik ga het op zoveel verschillende manieren zeggen,
dat iedereen het te pakken krijgt. Amen? ?
En we zullen het zó goed te pakken krijgen, dat we het niet meer kwijt raken.  


Hier in Hebreeën hoofdstuk 4.
Ik zal het even samenvatten. Hij spreekt hier over dat Jezus beter is dan het oude verbond, dat Hij groter is dan de engelen,
of wat dan ook, en dan begint hij in Hebr.3 te spreken over de kinderen van Israël, die wél uit Egypte trokken,
maar stierven in de woestijn.
Ze zijn nooit het beloofde land binnen gegaan,
vanwege hun ongeloof.
En in Hoofdstuk 4 begint hij daarom met: 1 (NBG51)
Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u,
terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven.  

Hij vergelijkt óns dus als zijnde op een geestelijke reis, net zoals de Israëlieten op reis waren, hetzelfde als dat zij uit Egypte bevrijd werden,
maar ze kwamen nooit terecht op de plek waar God ze eigenlijk had willen hebben.  

Hij zegt dus, dat het voor jou mogelijk is, om wederomgeboren te zijn, en zelfs gevuld met de Heilige Geest,
en tóch niet binnengaan in die plaats
waar God van wilt dat je zou zijn.
En hij gebruikt deze uitdrukking over een rust, om een speciale relatie te beschrijven,
die God eigenlijk voor ons bedoeld heeft.
Deze rust is niet de afbeelding
van het geestelijk vervulde leven.
Ik geloof dat het geestelijk vervulde leven erbinnen besloten is, maar dat is niet waar dit over spreekt.
Je kan geestvervuld zijn, en tóch niet ingaan in die rust, die speciale relatie, die God voor jou bedoeld heeft.  

Het spreekt óók niet over de dood, of over bij de Heer zijn. Dat is niet waar dit over spreekt.
Dit spreekt over iets dat wij bereiken in dít leven en als we hier doorheen lezen, zul je dat wel zien.  

Hij maakt dus een vergelijking tussen ons en de Israëlieten in het oude testament, en zegt, laten wíj op onze hoede zijn.
Aangezien de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken
dat iemand van u ook maar de schijn
wekt deze gelegenheid aan zich voorbij te laten gaan.
Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut,
omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen,
die het hoorden.

Broeders en zusters, dit woord hier, geeft ons toegang tot een relatie met God, die voor niemand van de
oudtestamentische heiligen mogelijk was.
Het geeft ons toegang tot een relatie met God, die ook de meeste nieuwtestamentische heiligen niet hebben bereikt.  

Maar het zal niet automatisch werken.
Dit woord zal met geloof moeten worden gemengd.
Wij hebben het Woord, wij hebben de instructies, wij hebben de sleutels in handen om met God te wandelen op een manier die andere mensen nooit hebben kunnen doen,
maar we moeten het mengen met geloof.
We moeten de leringen en overleveringen van mensen wegdoen, in geloof gaan handelen,
of anders zal het niet voor ons werken.  

In vers 3 .
Want alleen als wij God geloven, kunnen wij deel krijgen aan Zijn rust. Hij heeft immers gezegd: "In mijn toorn heb Ik gezworen dat mijn rust niet is v
oor mensen die Mij niet geloven."
Toch ligt Gods plan om hun die rust te geven, al klaar vanaf het begin van de wereld.  

Want alleen als wij God geloven,
kunnen wij deel krijgen aan Zijn rust.
Met andere woorden, dit was altijd
al Gods plan voor íedere heilige.
Dit is niet alleen voor de superheiligen, voor een paar speciaal uitverkorenen, maar als jíj een gelovige bent,
dan is dít waar je in moet gaan.
Dít is waar God je naar toe wil leiden.
Of je daar wel of niet komt is niet Gods fout, maar dit is wél Gods plan en wens voor iedereen van ons.
3 Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn:
Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.
En hier gebruikt hij een citaat uit Psalm 95:11 Hij gebruikt een oudtestamentisch geschrift die profeteerde over het ingaan,
 in deze rust met de Heer. En hij gaat terug en haalt dat aan.  


In vers 4 zegt hij:
4 Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God rustte op de zevende dag van al zijn werken;
En ook op deze plaats wijst hij terug op Psalm 95:11
als zij mijn rust binnen gaan.
5 En in deze plaats wederom:
Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!
6  Maar de belofte is niet ingetrokken. Daarom komen sommigen er wel; al zijn dat niet de
mensen die het eerst de kans kregen,
want die waren God ongehoorzaam.
7 Maar God heeft de mensen een nieuwe kans gegeven om deel te krijgen aan Zijn rust en die kans is er nu!
Hij heeft dat door de mond van David al aangekondigd
met de eerder genoemde woorden:
En weer citeert hij Psalm 95:11 "Als u nu de stem van God hoort, verhardt u dan niet voor Hem."

Wat hij hier nu doet; hij schrijft aan Joden,
en de Joden hadden deze reis vergeestelijkt.
Het verhaal van de Israëlieten, die uit Egypte
trokken en het beloofde land binnengingen.
Ze hadden dit al lange tijd vergeestelijkt tot het
ingaan in een relatie met God.
Maar zíj dachten dat toen de kinderen van Israël het beloofde land waren ingetrokken, dat zij deze rust al hadden verkregen.
Zij dachten dat het een beeld was, van ingaan in de plaats die God voor hen bedoeld had.  

Maar de schrijver van de Hebreeënbrief schrijft hier nou juist: Kijk, dat was níet vervuld toen de Israëlieten
het beloofde land binnen gingen.
Dat was niet de vervulling van de deze belofte.
En in vers 8 verklaart hij dat verder door te zeggen:
8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
En het woord Jozua is hetzelfde woord als Jezus. Het ene woord (Jozua) is Hebreeuws en het
andere woord (Jezus) is Grieks.
En je kunt dat controleren in Handelingen 7,
waar gesproken wordt over Jezus en je weet dat het in werkelijkheid gaat over Jozua,
omdat daar gesproken wordt over de opvolger van Mozes,
die het volk in het beloofde land bracht.  

Hoeveel van jullie weten dat dit niet Jezus was,
de Zoon van God?
Dus Jezus, hier, gaat over Jozua.
Als Jezus, of Jozua hen die rust zou hebben gegeven,
zou Hij niet meer daarna van een
andere dag hebben gesproken.


Wat hij hier bedoelt is: de kinderen van Israël gingen het beloofde land binnen, en bezaten
het ongeveer 400 jaar, of 450 jaar,
voordat David ten tonele kwam.
David is degene die Psalm 95 vers 11 schreef en zei dat er nog een rust was overgebleven voor het volk van God.
Dit zei hij dus allemaal om te zeggen: kijk er is een speciale relatie, die de schrijver hier een rust noemt en deze is nog steeds overgebleven voor óns vandáág.
Het wás niet voor de Joden, het wás niet vervuld, toen zij het beloofde land binnen trokken, maar het is een relatie,
die God heeft bedoeld voor de nieuwtestamentische gelovige.  

Het is de bedoeling dat íedere gelovige daar ingaat, en het is nu nog niet bereikt.
Vers 9  Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.
10 Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
11  Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat.



Deze week wil ik dus verder gaan, en deze relatie uitleggen, waarvan Hebreeën hoofdstuk 4 spreekt.
Een relatie met God, die de Bijbel beschrijft als een rust.  
En het is iets, dat klaar ligt voor íedere gelovige, MAAR, níet elke gelovige gaat er toe in!
En dít is een illustratie, van de zaken, waar wij gisteravond over gesproken hebben.
Dit is exact dezelfde zaak, maar vanuit een andere benadering.  

O.k. maar het eerste punt omtrent het begrijpen van deze rust.
Ik heb echt jaren gemijmerd over dit schrift gedeelte en me afgevraagd: God, wat ís deze rust,
wat wordt er bedoeld met deze relatie, waar het over spreekt.
En ik had problemen om dit te begrijpen, omdat ik als ik dacht aan rust, dacht aan vermoeid raken,
gaan liggen en een tukje doen.
Daar dacht ik aan bij het woord rust.
Ik dacht, God, wat voor relatie moet ik ingaan, waarin ik niet langer hoef te vasten en te bidden en het Woord bestuderen,
of wat dan ook maar hoef te doen.
Weet je, gewoon gaan liggen en de
dingen gaan allemaal vanzelf.
Lekker gaan slapen, achterover leunen, een colaatje drinken, lekker ontspannen, en het werkt allemaal vanzelf.  
En ik dacht dat er een of andere relatie was, waarin je kunt komen, waarin de dingen gewoon allemaal werkten,
en waarin je niet langer hoefde te worstelen.  

Maar dat is niet waarover dit spreekt. Het woord rust, hier, gaat daar niet over.
En dat kun je bewijzen, omdat het in vers 4 gaat over dat God sprak over de zevende dag dat God rustte van al Zijn werken.
Dit gaat erover, dat toen God hemel en aarde geschapen had, dat Hij stopte met werken, Hij rustte van het scheppen.  

Als je nou eens nadenkt over wat het woord rust hier betekent.
Het gaat hier niet over, dat God moe was, arme oude God, Hij creëerde alles, het hele Universum,
nou Hij móest wel moe zijn,
daarom nam God rust.

Amen !!!!!!!



en wij ook, volgende week vervolgen wij deze preek