Preek week 49

preek v.d. week 49


 

deze week deel 2 uit de preken serie terug naar het "Oude Testament" 

deze week gaat de preek over "Leviticus 16" 

De HEER geeft de grote verzoening want hij wil bij mensen wonen.
 
 

1. in een blijvende relatie
2. doordat de zonden echt opgeruimd worden
3. voor wie zich klein maakt voor hem
 

God de HEER gaf iets uitzonderlijks aan het volk Israël.
Hij gaf aan hen dat hij bij hen woonde.
Hij kwam niet af en toe langs. Het was niet afwachten of hij wel of niet wilde komen.
Hij wóónde bij zijn volk.
 

In Exodus 29 gaat het over de wijding van de priesters.
Dat hoofdstuk eindigt met: Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen, evenals Aäron en zijn zonen,
zodat ze mij als priester kunnen dienen.
Ik zal te midden van de Israëlieten wonen, en ik zal hun God zijn. En zij zullen inzien dat ik,
de HEER, hun God ben, die hen uit Egypte bevrijd heeft om in hun midden te wonen.
Ik ben de HEER, hun God.
Israël kon dat ook zien. Als het tentenkamp werd neergezet, 
stond middenin de grote tent van God, de tabernakel. God woonde bij hen. Zo dichtbij.
Tussen hen in.
‘Kijk, God de HEER woont bij ons.’
 

En toch...
Er zat toch een soort spanning.
Want God de HEER is wel de heilige God.
Je zou kunnen zeggen: het was hoogspanning. 380.000 volt. Levensgevaar.
De heilige God tussen mensen die zoveel verkeerd doen.
Dan kunnen er zomaar vonken afspringen.
 

Dat had Israël gezien bij Nadab en Abihu.
Dat staat in Leviticus 10. Twee zonen van priester Aäron gaan de tabernakel binnen,
maar ze doen het op hun eigen manier. Niet zoals de HEER had gezegd.
Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, 
zodat ze daar, in de nabijheid van de HEER, stierven. (Lev.10:2).
De HEER is heilig. Hoogspanning, levensgevaarlijk. 
Je kunt niet doen alsof het heel normaal is dat hij bij je woont.
De heilige God tussen onheilige mensen. Wees voorzichtig!
 

Dat was ook te zien op de Grote Verzoendag.
Hoofdstuk 16 begint met terugverwijzen naar die dood van Nadab en Abihu.
En heel het gebeuren van die dag maakt duidelijk: 
het is niet zo normaal dat de HEER tussen zijn volk woont.
In die verzoeningsdag gaat het vooral om dat wonen van God bij zijn volk.
De grote verzoendag kun je omschrijven als het jaarlijkse weer in gebruik nemen van de tabernakel.

Vers 16 is heel belangrijk: Zo voltrekt hij aan de heilige ruimte de
verzoeningsrite voor de onreinheden en overtredingen van de Israëlieten,
voor al hun zonden. Hetzelfde moet hij doen met het voorste deel van de ontmoetingstent,
die in hun kamp staat, te midden van alle onreinheid van het volk.
 

Die tent van God is als het ware vies geworden door de zonden van het volk.
Daar moet schoongemaakt worden.
Daar moet verzoening zijn. De zonden weg.
De tabernakel moet weer geheiligd worden.
 

Op de Grote Verzoendag gaat het om het wonen van God bij zijn volk.
Elk jaar was er een grote ceremonie nodig, een hele dag, om de tent van 
God opnieuw in gebruik te nemen zodat de HEER bij zijn volk kon blijven wonen.
 

Dat God bij zijn volk Israël woonde - het was iets geweldigs.
Maar, er zat altijd wel die spanning. Eigenlijk kon het niet: de heilige God tussen mensen die zoveel verkeerd doen.
Daarom elk jaar die Grote Verzoendag.
 

Totdat Jezus Christus kwam.
In het Nieuwe Testament, in de brief aan de Hebreeën, 
wordt heel duidelijk gezegd: wat elk jaar op de Grote Verzoendag moest gebeuren,
heeft Jezus Christus in één keer voor altijd gedaan.
Net als destijds de hogepriester ging hij met bloed de tempel binnen.
Niet de gewone tempel, maar de hemel, waar God woont. Niet met het bloed 
van een dier, maar met zijn eigen bloed. Doordat hij stierf aan het kruis.
En dat hoeft niet elke keer opnieuw.

Hebreeën 9:25v, Hij brengt daar niet telkens opnieuw het offer van zijn leven;
hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar
het heiligdom binnengaat, en dat met bloed dat niet het zijne is,
want dan zou hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden.
Nee, hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen.
 

De grote verzoening is gekomen door het offer van Jezus Christus aan het kruis.
Eens voor altijd. En nu kan God voor altijd bij ons wonen.
Niet met de spanning, de onrust dat er toch wel telkens weer geofferd moet worden.
Er is rust gekomen. Er staat in Hebreeën 10 nog een mooie tegenstelling 
tussen de priesters van de tempel en Jezus Christus. In vers 11 en 12.:
Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde
offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen;
deze [Jezus] echter is, na een offer voor de zonden te hebben gebracht, 
voor altijd gezeten aan de rechterhand van God.
De priesters stonden er elke dag weer, 
Jezus mocht gaan zitten. Er is rust gekomen.
Niet de onrust van elk jaar weer een grote verzoendag, omdat God anders niet bij zijn volk kan wonen.
Maar de rust dat het voor altijd goed is.
 

Maak dat eens persoonlijk.
Waar herken jij jezelf meer in: in de onrust van altijd weer grote verzoendag 
nodig hebben of in de rust van Jezus Christus die zit bij God?
Ik bedoel dit: als je christen bent, als je gelooft in Jezus Christus,
mag je geloven dat God in je woont. Je hebt een relatie met hem.
Maar je doet zonde. Dat weet je ook van jezelf. Er zijn dingen in je leven die je niet wilt, maar ze gebeuren telkens weer.
Betekent dat nu dat elke keer God de relatie met jou verbreekt?
Gaat hij elke keer bij je vandaan en komt hij pas terug als jij schuld belijdt en vergeving vraagt?
Heb je voortdurend de spanning of God inderdaad wel bij je woont?
Vraag je je telkens af of God nu nog wel bij je wil zijn?
Dat noem ik de onrust van de Grote Verzoendag. 
De onrust van elke keer weer moeten zorgen voor verzoening.
 

Die onrust hoeft niet!
Je mag de rust aanpakken van Christus die het één keer gedaan heeft en nu rustig zit aan de rechterhand van God.
Zo mag u rustig geloven dat God blijvend bij u woont.
Wat in het Oude Testament nog niet kon,
kan dankzij Jezus Christus wel. En als je zondigt dan?
Natuurlijk, zeg dat eerlijk tegen God. Vraag vergeving.
Maar geloof dat die zonde jou niet bij God vandaan haalt en dat God niet vanwege die zonde de relatie met jou verbreekt.
Ook niet tijdelijk, tot jij oprecht vergeving vraagt.
De relatie van God met jou door Jezus Christus is blijvend. Hij woont blijvend bij u.
 

Je kunt zo tegen hem kiezen, dat hij bij je weggaat.
Je kunt zo bewust voor zonde kiezen en hem aan de kant schuiven, dat hij niet meer bij je 
wonen kán. Dan heb je echt bekering nodig. Dan is het nodig om God
opnieuw te vragen om bij je te komen wonen door Jezus Christus.
Maar in het gewone leven als christen, met je dagelijkse fouten, je zwakte en toch je verlangen 
om dicht bij de Heer te leven - in het gewone leven als christen mag je uitgaan van die rust van Jezus Christus.
Ook al maak ik fouten, God woont blijvend bij mij.
Hij verbreekt die relatie niet, maar hij heeft mij voortdurend lief.

 
2 Terug naar de Grote Verzoendag bij Israël.
 

Na al het bloed in de tabernakel volgt dat bijzondere ritueel met de zondebok.
(Hier komt dus onze uitdrukking vandaan dat iemand de zondebok kan zijn.)
 

Die zondebok moest de woestijn in worden gestuurd, naar een verlaten gebied.
Hij wordt genoemd: de bok voor Azazel.
Azazel: we weten niet goed wat dat is, of wie dat is. Het zou de naam een woestijn-demon kunnen zijn.
Maar dan zonder dat het echt bedoeld is dat die bok naar een duivelfiguur gestuurd wordt.
Misschien kun je het vergelijken met de uitdrukking ‘Joost mag het weten’.
Het schijnt dat ‘Joost’ dan een naam is voor de duivel. Maar als ik zeg
‘Joost mag het weten’, bedoel ik echt niet dat de duivel het wel zal weten.
Het is gewoon een uitdrukking.
Zo kan het ook zijn dat ‘naar Azazel’ gewoon
een uitdrukking was voor ‘ver weg de woestijn in’.
 

Dat is in ieder geval wat de Israëlieten zien gebeuren. 
Die bok gaat de woestijn in en komt nooit meer terug.
Maar voordat dat gebeurt, legt Aäron namens het volk twee
handen op de kop van de bok. En - opvallend! - hij zegt dan wat.
Bij alle voorschriften over wat er gedaan moet worden,
is het opvallend dat hier staat dat er iets gezegd moet worden.
En niet maar één zinnetje!
 

Álle wandaden en álle vergrijpen van de Israëlieten, álle zonden die zij hebben begaan.
Drie keer het woord ‘alle’.
Daar zal Aäron wel even mee bezig geweest zijn.
Een gebed van schuldbelijdenis, zoals wij dat ook aan het begin van een kerkdienst doen.
Hardop wordt het uitgesproken. Iedereen moest het kunnen horen.
Alle zonden van heel het volk.
 

Wat ook opvallend is: een gewoon iemand uit het volk moet 
de bok vervolgens meenemen en naar de woestijn brengen.
Niet een priester, maar een gewoon gemeentelid.
 

Het lijkt erop dat bij dit hele zondebok-gebeuren vooral bedoeld was voor de gewone Israëlieten.
Zij konden het horen: alle zonden die zij gedaan hadden.
Zij konden het zien: die bok gingen tussen de tenten door, naar buiten, ver weg.
 

Zo werd hoorbaar en zichtbaar gemaakt waar het bij de verzoening 
van de tabernakel om ging: alle zonden van Israël worden weggehaald.
En dan ook echt wég.
Ze konden meelopen tot aan de rand van het legerkamp en 
de man met de bok nakijken: daar gaan onze zonden.
Daar gaat die keer dat ik iemand uitgescholden heb; daar gaat m’n
stiekeme kijken toen de buurman zich stond te wassen;
daar gaat m’n te weinig aandacht geven aan m’n zieke tante; daar gaat.... vul maar in.
Echt weg.
 

Nog steeds vinden mensen het moeilijk om te geloven dat dingen
waarvoor je vergeving gekregen hebt, echt weg zijn.
Wij halen het zelf vaak weer terug. ‘Ik heb er nog zo’n last van dat ik....’.
Of je vindt het moeilijk om te geloven dat het echt vergeven is. 
‘Ik heb wel vergeving gevraagd, maar is het nu ook echt vergeven?’.
De HEER gaf aan Israël iets om het duidelijk aan te zien: daar gaat die bok. Daar gaan je zonden. Weg!
 

Ik heb wel eens de vraag gehad: kun je bij het Avondmaal niet een vuilnisbak neerzetten.
Dat je, voor je het brood krijgt, eerst langs een vuilnisbak mag lopen en dat
je daar een briefje in mag gooien waar alles op staat wat je verkeerd gedaan hebt.
Wat mij betreft staat hij er, over twee weken.
Een vuilnisbak met het kruis van Christus erop.
Als dat u en jou helpt om het te zien, te ervaren: vergeving betekent dat het echt weg is.
De bok voor Azazel of een vuilnisbak met het kruis erop 
- het wil hetzelfde duidelijk maken: zonden worden echt opgeruimd.
 

3 Er is nog iets waardoor het hele volk betrokken werd bij de Grote Verzoendag.
Die hele dag was een dag van volstrekte rust. 
Een sabbat in het kwadraat. Niets doen.
En dag van onthouding. Er staat in het Hebreeuws:
je zult je ziel omlaag laten zijn. Je klein maken. Nederig.
Misschien is dat ook een uitdrukking voor vasten: je verlangens onderdrukken.
Het is in ieder geval in het Jodendom de verplichte vastendag geworden.
 

Terwijl de priesters in de tabernakel bezig waren met de offers 
en andere rituelen, moest heel het volk de hele dag niets doen,
overal afblijven en zich klein maken voor de HEER.
Bedenken hoe hoeveel ze steeds weer verkeerd deden.
 

De HEER wil dat je beseft hoeveel je verkeerd doet.
Maar let wel op de volgorde. Dit staat achteraan.
Het is niet de voorwaarde: eerst maar eens flink je klein maken, dan krijg je misschien vergeving. 
Het hoofdstuk begint met wat de HEER geeft: verzoening.
Hij laat zien: de zonden zijn echt weg.
Het enige wat hij dan vraagt is: ontvang die vergeving.
Laat zien dat je het graag wilt hebben.
 

Ik haalde net al het bijbelboek Hebreeën aan.
Daar staat een heleboel over de Grote Verzoendag en hoe dat 
uiteindelijk allemaal bij Jezus Christus werkelijkheid geworden is.
Dan staat er in Hebreeën 10:19-22 dit:
Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom,
omdat hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen.
We hebben nu een hogepriester die dienst doet in het huis van God;
laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof,
nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen.
Laten we naar God gaan met een oprecht hart en een vast geloof.
Dat is alles wat de HEER van u en jou vraagt.
Hij geeft de grote verzoening door Jezus Christus.
Hij wil bij u en jou wónen.
Hij vraagt alleen maar: maak je klein, ontvang mij met een oprecht en gelovig hart.
 

Ik weet dat veel mensen hier al lang tegen de HEER gezegd hebben: ja Heer, 
ik geloof in u. Dan mag u ook weten dat de HEER blijvend bij u woont.
Ook al doe je in je zwakheid nog vaak dingen die verkeerd zijn. Geloof dat hij ook dan niet bij je weggaat.
Er zullen er hier ook zijn die het voor het eerst of opnieuw echt moeten zeggen.
Zeg tegen de Heer: ja, ik geloof in u. En geloof dat hij vanaf dat moment ook graag bij jou woont.
 

AMEN