Preek week 42

preek v.d. week 42


 

In de serie over trouw deze week deel 3
 

"God is trouw, ook in zijn toorn"
 

laten wij lezen; : Daniël 9:1-19, 2 Tim.2:8-13 

God, onze HEER in de hemel, is trouw.
 
In de vorige 2 weken hebben we in de bijbel gelezen wat dat betekent.
Net in Daniël 9 lazen we het nog een keer: God heeft zijn naam 
(je kunt ook zeggen: zichzelf) verbonden aan de stad Jeruzalem en het volk Israël van toen.
Dat is trouw zijn: dat je jezelf vastmaakt aan een ander, zodat die ander weet dat hij op je rekenen kan.
Dat doet de grote God die alles gemaakt heeft: 
hij maakt zichzelf vast aan mensen. Dat is het feest van vandaag!
De doop is het teken van dat verbonden zijn.
Net als je trouwring het teken is van getrouwd zijn.
In de doop zegt God tegen Levi, tegen Jocelyn: ik verbind mijzelf aan jou.
Jij bent van mij, ik ben van jou. In dat verbond is God trouw.
 

Maar dat betekent niet: als je gedoopt bent, komt het automatisch goed met je.
We zeggen vandaag niet: ‘Levi en Jocelyn en andere kinderen die 
gedoopt zijn - ze zullen zeker weten leven als christen.
En ze zullen gegarandeerd in de hemel komen.’
Want een kind dat gedoopt is (God heeft zich aan hem vastgemaakt),
kan zelf bij het opgroeien God helemaal loslaten.
En als hij dat volhoudt, komt hij buiten Gods liefde te staan.
Met het vreselijke gevolg dat God na het sterven zal zeggen: 
jij wilde niet met mij leven, nu zul je ook na je leven niet bij mij zijn.
 

Maar waar is dan Gods trouw?
Is God dan trouw zolang je als mens zelf maar trouw en gelovig bent?
Over die vraag gaat het vanmorgen.
Wat ik wil duidelijk maken: de HEER is trouw, ook in zijn toorn, in zijn boosheid.
Hij is en blijft trouw. Daar zitten twee kanten aan die tegen elkaar in lijken te gaan. 

1. Hij straft want hij is trouw
2. Hij straft maar hij blijft trouw
 

1 Ik wil in het eerste deel van de preek
vooral kijken naar 2 Timoteüs 2:13. Wat staat daar?
De NBV zegt: als wij hem ontrouw zijn, blijft hij ons trouw. 
Maar dat zijn woorden die de vertalers 
er bij gezet hebben. Eigenlijk staan ze er niet.
En vooral bij dat laatste is het juist de vraag of je het er bij moet denken.
Wat betekent het als over God gezegd wordt: als wij ontrouw zijn, is hij trouw.
Is hij trouw aan ons, zodat hij uiteindelijk toch geen mens laat vallen?
Of is hij trouw aan zichzelf en laat hij daarom in een uiterste geval zelfs iemand vallen?
 

Laten we eens kijken wat er staat.
Vier keer staat er ‘als wij’. En drie keer volgt er dan dat hij ook...
Als wij met hem gestorven zijn, dan geeft hij ons ook het leven met hem.
Als wij volhouden, dan geeft hij ons ook dat we zullen overwinnen.
Als wij hem verloochenen, dan zal hij ons ook verloochenen.
Als wij ontrouw zijn... nee, dan staat er niet iets wat hij ook zal doen.
Als wij ontrouw zijn, zal hij het juist niet zijn.
 

God kán niet ontrouw zijn.
God kan niet ja zeggen en nee doen. Wij wel. Wij doen dat vaak.
Bij God kan dat niet. Dan zou hij tegen zichzelf ingaan.
Dan zou hij zichzelf verloochenen.
In de tweede preek van deze serie ging het daar ook al over: 
als God ontrouw zou zijn, als hij zich niet aan zijn woord zou houden,
dan zou hij geen God meer zijn.
Zo onmogelijk is het. God heeft er zijn eigen bestaan aan verbonden.
Hij is trouw, of hij is geen God meer.
 

God kan niet ontrouw zijn.
Maar wat betekent dat dan?
Betekent dat dat hij ons niet kan laten vallen? Kan hij niet zeggen:
nu wil ik je niet meer bij me hebben?
Dat kan hij wel. Dat staat in vers 12. Ons verloochenen, dat kan hij wel.
Verloochenen, dat is nee zeggen. Ontkennen.
Je ervan aftrekken. Dat kan God wel naar ons.
Vers 12 is niet: ‘als wij hem verloochenen zal hij ons trouw blijven, 
want ons verloochenen kan hij niet’. Zo moet je dus vers 13 ook niet lezen.
God is trouw, ja, altijd. Maar dat betekent niet dat hij 
niet kan straffen of dat hij niemand zal laten vallen.
Als u of jij bewust tegen hem nee zegt, zegt hij ook nee tegen u.
Waarom doet hij dat? Hij is toch de God van trouw?
Ja, juist daarom. Omdat hij de God van trouw is,
komt hij ook met straf en oordeel.
Omdat hij trouw blijft, verloochent hij (als het echt nodig is)
wel ons (vs.12), maar niet zichzelf (vs.13).
 
Want waaraan blijft God trouw?
Blijft hij hoe dan ook trouw aan ons?
Ik geloof dat je het beter zo kunt zeggen: hij blijft trouw aan de belofte 
waarmee hij zich aan ons verbonden heeft. Die neemt hij nooit terug.
En dat is een belofte met daarbij een oproep aan ons.
God verbindt zich aan ons met de belofte: ik ben jouw God, 
ik geef je al mijn liefde; nu wil ik ook dat jij mij liefhebt.
Ik wil jouw Vader zijn, nu wil ik ook dat jij mij als een kind liefhebt. 
Ik verbind me aan jou, ik wil dat jij altijd aan mij verbonden blijft.
 

Maar als jij dat niet wilt, zal ik je laten gaan.
Als jij tot op het laatst van je leven volhoudt dat je mij niet als je God wilt, 
zal ik je ook na je sterven daar laten waar je wilde zijn: ver bij mij vandaan.
Wij noemen dat: de hel.
 

De trouw van God is ook dat hij dat inderdaad doet.
Dat hij daar niet alleen mee waarschuwt, maar dat hij ook doet wat hij zegt.
Hij is trouw aan zichzelf: ik heb het gezegd, ik zal het doen ook.
 

God is trouw aan zichzelf en aan wat hij gezegd heeft, ook in zijn toorn, in zijn straf.
 

Waarom vraag ik daar aandacht voor in deze preek?



a. Een prekenserie die gaat over Gods trouw moet ook gaan over dat hij trouw is in zijn toorn.
Uit mijzelf had ik daar ook liever niets over gezegd, maar ik wil God recht doen.

b. Er zijn heel veel mensen die gedoopt zijn. Kijk straks en bedenk 
dat jij ook al die mooie beloften van God hebt gekregen.
Vergeet dan niet dat daar ook die oproep aan vast zit. 
God de Heer vraagt om je antwoord. Hij vraagt om je hart.
En hij meent het echt: als jij hem je hart niet geeft, als jij je van hem losmaakt, 
dan zal hij jou uiteindelijk ook loslaten.
Gods trouw betekent ook dat je zijn dreiging heel serieus moet nemen.
God meent het echt wat hij zegt en hij wil ook dat jij het echt meent.

c.  God hierin kennen betekent ook dat je hem hierin kunt eren. 
We lazen net dat aangrijpende gebed van Daniël.
Hebt u gezien hoe eerbiedig dat gebed is.
En dat door heel dat gebed die erkenning heenloopt: 
HEER, u staat in uw recht als u boos bent op Jeruzalem,
want u hebt niet anders gedaan dan wat u gezegd hebt.

Vers 4: Heer, grote en geduchte God, die zijn beloften nakomt 
en trouw is aan wie hem liefhebben en doen wat hij gebiedt.
Wij hebben gezondigd. Maar, vers 7, U, Heer, staat in uw recht.
Want de Heer heeft niets anders gedaan dan (vers 11) de met een eed
bekrachtigde vervloekingen die opgetekend staan in de wet van Mozes over Israël uitstorten.
God had het gezegd en hij doet wat hij zegt.
Daar kan ik hem alleen maar om eren. Je moet er toch niet aan denken 
dat God iets zegt en het vervolgens niet doet omdat hij er even geen zin in heeft...
Daarom: Heer, aan u alle eer, want u bent trouw en doet wat u zegt, ook als u straft.
 

Het is heel moeilijk om dat te zeggen als je weet dat
het over je eigen kind of broer of zus kan gaan.
Ik denk dat je dat ook tegen God mag zeggen: Heer, ik geloof dat het zo is,
maar ik heb er zoveel pijn bij dat ik het niet zeggen kan.
Daarin kent de Heer je en hij vraagt niet meer dan wat je op dat moment kan.
Tegelijk mag je dan zelf aan God vragen: Heer, help me om u zo te kennen, 
dat het eren van u mij helpt om met mijn pijn om te gaan.
Een mooi voorbeeld daarvan is Paulus.
Hij schrijft in de Romeinenbrief drie hoofdstukken over een onderwerp dat 
hem erg veel pijn doet, over het ongeloof van zijn Joodse broers en zussen (Rom.9-11).
Hij begint en eindigt dat stuk met een loflied aan God.
God eren om zijn onbegrijpelijke trouw kan je helpen om te gaan
met de pijn vanwege die andere kant van Gods trouw.

 
Maar er is meer te zeggen.
 

2 God straft want hij is trouw. God straft, maar hij blijft trouw.
Daniël zegt in zijn gebed niet alleen ‘Heer, het is terecht dat u straft’.
Hij doet ook een beroep op Gods trouw. Heer, 
uw naam is toch verbonden aan uw stad en aan uw volk?
Dwars door de terechte straf heen doet hij toch een beroep op Gods trouwe genade.

Inderdaad.
God straft, maar ook dan blijft hij trouw aan zijn belofte.
Mooie voorbeelden daarvan vind je bij de profeten in het Oude Testament.
Zij moeten heel vaak de straf aankondigen. Dat liegt er niet om.
Jeruzalem zou verwoest worden, alle inwoners gedood of weggevoerd.
(En dat is inderdaad gebeurd - God deed wat hij zei).
Maar die profeten mogen toch ook dwars daar doorheen aankondigen 
dat God toch weer genadig zal zijn. Vanuit zijn trouw aan zijn volk.
Wat betekent dat voor ons vandaag.
Wat betekent dat voor degenen die gedoopt zijn van 
wie wij nu zien dat ze God aan de kant gezet hebben?
Wat is voor hen nu nog Gods trouw? Is dat alleen de dreiging van 
‘als ze mij verloochenen, zal ik hen verloochenen’? Gelukkig niet.
Kort een paar dingen.
 

a. God is trouw, dat betekent: je kunt altijd bij hem terugkomen. 
Voor mensen die gedoopt zijn en God helemaal 
kwijt geraakt zijn, staat Gods hart toch altijd open.
Zelf vind ik het de mooiste gesprekken in het pastoraat als mensen vragen
‘maar kan ik, met alles wat ik gedaan heb, toch weer terugkomen bij God?’.
Het is heerlijk om dan te kunnen zeggen: ja, kom, vraag vergeving en geloof dat hij je echt vergeeft.
Hij is zo trouw. Je mag altijd bij hem terugkomen.

b. God is trouw, dat betekent ook: hij blijft mensen opzoeken. Hij wil ze terughalen.
Zoals de herder die een weggelopen schaap gaat zoeken.
En dan meteen erbij: daar wil God jou en mij voor gebruiken.
Dus ook de vraag: hoe trouw zijn wij in de gemeente om 
aandacht en liefde te geven aan mensen die God kwijtraken?
Vooral jongeren die afhaken hebben altijd die pijn: bijna 
niemand heeft me aangesproken, niemand heeft naar me gevraagd.

c. God is trouw en te groot voor ons verstand.
Ik noemde net al Romeinen 11, die hoofdstukken waarin Paulus schrijft
over zijn Joodse broers en zussen die niet in Christus geloven.
Hij schrijft aan het eind: Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis,
hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.
Wij weten uiteindelijk niet hoe God oordeelt. God kan voor iemand 
genadig zijn en hem een plek geven in de hemelse heerlijkheid,
ook als wij, op grond van wat we zien, dat niet durven hopen.
Wij weten bijvoorbeeld niet hoe God oordeelt als iemand zo beschadigd
is in zijn jeugd dat hij daardoor niet meer geloven kán in God die liefde is.
Wij hoeven niet te oordelen. Gelukkig niet. Dat doet God.
Zijn oordelen gaan ons verstand ver te boven. Maar hij vertelt 
ons wel dat hij trouw is. Bij die trouw mag je houvast zoeken.
Op die trouw mag je een beroep doen. Aan die trouw mag je 
God steeds herinneren in je gebed voor wie je lief is.
 

God is trouw.
Daarom straft hij ook. Maar in die straf blijft hij trouw.
Wij geloven niet in een God die de ene keer dit doet en de andere keer dat.
Hij is trouw en steeds dezelfde.
Hij verdient daarvoor alle eer.
Ook met pijn in je hart. Met heel veel vragen en verdriet.
En toch: aan God alle eer. De trouwe God.

 AMEN