Preek week 35

preek v.d. week 35

  

 
vorige week waren wij begonnen met een neiuwe serie preken"Over lijden"
het thema vorige week was "Bid voor elkaar om troost van God"

 
Deze week gaan wij verder met de serie met als thema 
"DICHT BIJ DE HEER BRENGT HIJ JE VRAGEN TOT RUST"

 
troost, vinden bij God hoe sterk is je geloof bij dood en ziekte?
 

De bijbel laat ons ook gewoon zien dat het soms niet lukt om de troost vast te houden.
Dat de vragen soms te zwaar zijn voor de antwoorden.
De HEER geeft ons zelf in zijn boek psalmen zoals Psalm 73.
Met onder andere deze boodschap: het is heel begrijpelijk dat je soms vastloopt in je vragen.
Voel je daar niet schuldig onder.

Laten wij lezen: Psalm 73
 
1. Begrijpelijke vragen
2. Onbegrijpelijke rust
 

Ja, God is goed voor Israël.
 

Alsof Asaf dat er eerst even uit wil gooien.
Voor je deze psalm verder leest, dit voorop: ik weet het weer, 
ik heb het weer gevonden: God is toch echt goed voor mensen die bij Hem horen.
Maar ik was dat bijna kwijt, zegt Asaf.
Ik heb dat een hele tijd zo niet kunnen zeggen.
 

Hij beschrijft hoe het mis ging met hem.

Vers 3: ik keek met afgunst naar de dwazen.
Hij zag mensen die zich van God niets aantrekken.
Hij had thuis altijd geleerd: dat zijn dwazen. Als je het geloof in de HERE loslaat, 
ga je helemaal de verkeerde kant op.
‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen.’
Maar daar zag hij helemaal niets van.
Hij zag juist dat het goed met hen ging.
 

Zij waren gelukkig.
Zij kregen geen ernstige ziekte.
Ze hadden altijd te eten.
Ze hadden nooit problemen. Altijd gezond, geld zat, gelukkig.
 

Asaf werd jaloers.
Hij zat juist midden in de ellende.
Vers 14: ik werd gestraft, dag en dag, en geslagen, elke morgen weer.
Hij ging ‘s avonds vaak slapen met het idee ‘morgen is het vast beter’,
maar hij was nog niet wakker of hij voelde het al: weer een slechte dag.
Het bleef maar doorgaan. Er kwam nooit een einde aan.
 

Hij voelde zijn eigen ellende en dan zag hij die anderen met wie het zo goed ging.
Hij kon dat geen plek geven.
 

Dat werd nog veel erger door de houding van die anderen.

vers 6: Hoogmoed is hun halssieraad.
Ze stralen het gewoon uit: kijk eens hoe goed het met ons gaat!
Ze zijn trots. Ze hebben stoere taal.
Zij zien ook het verschil en ze benoemen dat ook: kijk nou eens, zie je wel dat het niets helpt om in God te geloven.
Je kunt je knieën kapot bidden, maar die ziekte gaat toch niet weg. Het helpt allemaal niets.
Zo trekken ze mensen met zich mee.
Steeds meer mensen gaan het zeggen (vs.11): Zou God iets weten? Ziet God wel wat hier gebeurt?
Als Hij het al ziet, kan Hij er blijkbaar niets aan doen. Hij heeft blijkbaar ook geen antwoord. 
Waarom zou je Hem dan blijven dienen?
 

Asaf merkte bij zichzelf dat dat soort opmerkingen ergens bij hem bleven haken.
Zonder dat hij het wilde, voelde hij van binnen iets van ‘ergens hebben ze wel gelijk’.
Die psalmen in de kerk zeggen wel heel mooi dat God je beschermt en zo, 
maar in de praktijk merk je daar niet veel van.
 

Bijna was Asaf het ook zo gaan zeggen.
 

Kijk eens hoe hij het precies zegt in vers 2.
Toch had ik bijna een misstap begaan,
bijna waren mijn voeten uitgegleden, Dat is twee keer ongeveer hetzelfde. Maar net niet.
Aan de ene kant zegt hij: het was mijn eigen fout. Ik begin een misstap.
Ik stapte zelf van de weg af. Want ik keek verkeerd.
Ik was er zo op gefixeerd dat het niet eerlijk was, daardoor stapte ik zelf verkeerd.
Achteraf zegt hij: dat was mijn eigen fout, ik was stom bezig.
 

Maar tegelijk: ik gleed gewoon uit.
En uitglijden, daar kun je soms helemaal niets aan doen.
Als het spekglad is, kun je niet overeind blijven.
Ik gleed uit, ook al wilde ik niet.
Ik wilde zulke dingen niet zeggen.
Vers 15: als ik zou spreken zoals zij, dan voelde dat als verraad.
Ik wilde het niet zeggen, ik wilde het niet eens denken.
Maar hou je gedachten maar eens tegen.
Het overkomt je gewoon. Je glijdt gewoon uit.
 

Je denkt soms dingen die je niet zou willen denken.
‘Waarom overkomt het mij, waarom niet die ander’.
‘Heb ik daarvoor mijn leven lang God gediend?’
‘Zie je wel dat bidden niet helpt’.
Het zijn vragen en bezwaren die je niet eens wilt denken, 
maar ze zijn er. Op de rottigste momenten.
Misschien wel tijdens het zingen van een psalm, dat je opeens denkt ‘mensen, 
wat zit je nou mooi te zingen; ik merk er helemaal niets van’.
De vragen kunnen zo groot worden, dat je voorlopig maar even niet naar de kerk gaat.
 

Waarom beschrijft Asaf deze vragen?
Hij is er nu toch uit? Hij heeft die vragen toch overwonnen?
Ik denk dat wij het bij onszelf zouden houden. Dat soort diepe twijfels, daar loop je niet mee te koop.
Asaf schrijft ze op in een lied.
Sterker nog: De HERE God laat ze in de bijbel zetten.
Dat soort vragen hoeft niet verzwegen te worden.
Zeg het maar gewoon als dat door je hoofd gaat. Als je daar in vast loopt.
 

Want zulke vragen zijn zo begrijpelijk. De HERE weet dat wel.
Hij weet: ook als je gelooft, kun je staan te glibberen en bijna onderuit gaan.
Hij weet: je kunt de ene dag met overtuiging een psalm zingen, 
en de volgende dag niet weten waar je het zoeken moet.
Hij weet dat je soms alleen maar vragen hebt.
Dat je niet kunt bidden, hoogstens schreeuwen om hulp.
Hij laat, onder andere in Psalm 73, ons merken: zulke vragen zijn begrijpelijk.
God onze Vader geeft daar ruimte voor.
Hij weet dat je niet altijd zeggen kunt ‘God is goed’.
 

Paulus schrijft zoiets ook in Romeinen 8:26
wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen,
maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. 
Soms kun je zelf niet bidden en heb je eerder neiging om te vloeken.
De HEER kent je ook dan.
Zijn Heilige Geest bidt voor jou als jij het niet kunt.
 

Ga je dus niet vreselijk schuldig voelen als je het vertrouwen in God kwijt bent.
Als je vastloopt in vragen en niet bidden kunt.
Denk aan Asaf: hij gleed ook uit, maar de HEER hield hem vast toen hij zelf God niet vast kon houden.
 

2 En de HEER liet zijn vragen tot rust komen.
Asaf bleef er niet in steken.
Achteraf zegt hij zelf: hoe begrijpelijk m’n vragen ook waren, ik had veel eerder goed moeten kijken.
Ik gleed uit, daar kon ik weinig aan doen. Maar het was ook misstap. Ergens deed ik het ook zelf.
Achteraf zegt hij (vers 22): ik was dom en dwaas.
Want ik keek verkeerd.
 

Er zit een tegenstelling in Psalm tussen vers 3 en vers 17.

Vers 3: ik keek jaloers naar die anderen.
Hij staarde zich er blind op hoe goed het met hen ging.
Hij moest anders leren kijken. Vers 17b: ik bracht mij hun einde voor ogen.
Hij leerde ergens anders naar te kijken. Een stuk realistischer.
Toen zag hij: het loop juist slecht af met zulke mensen. Zíj zijn degenen die uitglijden. 
De HERE stort hen in een diepe afgrond.
Asaf moest leren de dingen weer goed te zien.
 

Hoe leerde hij dat?

Vers 17a: ik ging Gods heiligdom binnen.
Misschien is hij letterlijk naar de tempel gegaan. Misschien heeft hij zijn 
gedachten op God gericht, als het ware de hemel in.
In ieder geval: hij was weer dicht bij God.
Hij staarde zich niet blind op zijn eigen ellende, maar hij concentreerde zich op God zelf.
Toen heeft God de HEER zijn vragen tot rust gebracht.
 

Kijk dan goed in de psalm wat Asaf bij God geleerd heeft.
Hij leerde weer beter kijken. Hij had een verkokerde blik, 
hij zag alleen dat het met anderen goed ging en met hem slecht.
De HEER laat hem breder kijken: bij anderen is het niet alleen maar goed,
het gaat juist ook heel slecht met hen.
Maar let op! Het is niet zo dat de HERE hem dan aan de andere kant laat zien:
bij jou gaat het niet alleen maar slecht, het gaat bij jou ook goed.
De HEER leert hem niet om te kijken naar de dingen die hij wel heeft.
Zelfs niet allereerst naar de dingen die God hem toch wel geeft.
De HEER trekt hem juist boven dat voortdurende vergelijken en heen-en-weer-kijken uit. 
Kijk niet steeds naar hoe het met je gaat. Kijk naar de HERE zelf.
 

Vers 23, daar staat niet ‘maar nu weet ik dat u toch heel veel goede dingen blijft geven’.
Nee, ik weet mij altijd bij u. U houdt mij vast.
Alles loopt toch volgens uw plan.
Ook dwars door ellende en problemen heen.
Dwars door verdriet en ziekte, ook dwars door ziekte die niet meer overgaat - maar ik ben bij U.
 

Meer is niet nodig.
Naast u wens ik geen ander op aarde.
Natuurlijk wil je als mens heel veel. Je zou je man of vrouw willen houden,
je wilt gezond zijn. Maar de Heer wil je daarboven uit tillen en je de rust leren: 
al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
al loop ik vast in verdriet of wordt mijn lichaam gesloopt door een ziekte, 
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd.
 

Bij God te zijn is mijn enig verlangen,
mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.
 

Dat is onbegrijpelijke rust die je bij de HEER mag vinden.
Dat is wat Paulus mocht leren toen hij ook één of andere ziekte had en geen genezing kreeg:
mijn genade is voor jou genoeg. Weten dat je met Jezus Christus leven mag.
Met al je begrijpelijke vragen, waar je in vastloopt, waar je op uitglijdt,
toch weer houvast vinden, een vaste rots onder je bestaan.
Bij de HERE die jou kent en je niet loslaat.
 

Voel je niet schuldig als je voelt dat je uitglijdt over alle moeilijke vragen.
Maar blijf ook niet alleen kijken naar hoe moeilijk je het hebt.
Kijk naar God, ga naar Jezus Christus en vraag Hem om die onbegrijpelijke rust.

 

AMEN