Preek week 31

preek v.d. week 31

 

 

 

deze week in de serie van: "Jezus zegt, Ik ben ......." 

deze week Jezus zegt: "Ik ben de weg" 

Eigenlijk zegt Jezus hier: "Ik ben voor jou de weg naar God" 

Laten wij lezen: Johannes 13:31 - 14:14

  
Een trap en een lift.
Een lange trap naar God en een lift naar God.
En waarom?
Denk daar eens even over na.

  

JEZUS ZEGT: IK BEN VOOR JOU DE WEG NAAR GOD
Omdat hij zelf zijn unieke weg gegaan is, is hij voor jou de enige weg.
 

Bij de ik-ben-uitspraken, kun je je afvragen: hoe komt Jezus bij deze beeldspraak?
Ik heb vorige week nog uitgelegd: je kunt het in het Nederlands vaak beter omdraaien.
Het levensbrood - dat ben ik. De goede herder - dat ben ik.
En dus hier: de weg - dat ben ik.
Waar komt die weg vandaan?
 

Jezus begon daar zelf over in zijn antwoord aan Petrus.

Vers 4: jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.
Daar reageert Tomas op: we weten niet eens waar u heen gaat, 
dus we weten ook niet de weg. En dan zegt Jezus: de weg, dat ben ik.
 

Maar bedoelt Jezus in vers 4 al hetzelfde als in vers 6?
Als hij zegt: jullie kennen de weg naar waar ik heen ga,
bedoelt hij daarmee dan al: jullie kennen die weg,
want ik ben die weg en jullie kennen mij?
Zo wordt het vaak wel uitgelegd. Maar is het inderdaad zo?
Is de weg van vers 4 en de weg in vers 6 hetzelfde? 
Of is er net zo’n verschil als tussen de trap en de lift?
 

Eerst kijken naar vers 4.
Als je wat dichter bij het Grieks blijft, kun je het zo vertalen:
En waar IK heenga - jullie weten de weg.
Wat je in het Nederlands niet kunt zien, is dat er nadruk ligt op het woordje IK.
De IK van Jezus tegenover waar het in vers 3 om gaat: ik en jullie bij elkaar.
Wat in vers 3 bij elkaar komt (jullie zullen zijn waar ik ben),
dat wordt in vers 4 weer apart genoemd: de weg die IK ga.
En Jezus zegt: die weg ken je. Mijn weg en waar ik naar toe ga.
 

Dat is dan het antwoord op de vraag van Petrus in 13:36.
Jezus heeft iets gezegd over ‘heen gaan’.
Petrus vraagt: waar gaat u heen?
 

Het antwoord van Jezus gaat dan eerst helemaal niet over ‘waarheen’, maar over ‘wie gaat er’.
Jezus zegt: ik moet alleen gaan, jullie komen later pas.
Daar vraagt Petrus op door: waarom kan ik niet met u mij? Ik wil niet bij u vandaan!
Daar reageert Jezus dan verder op. Hij legt uit: het is maar voor tijdelijk. 
Ik ga om te maken dat jullie er ook kunnen komen.
Dan kom ik terug, neem jullie mee en dan zijn wij er samen.
Daarmee is de vraag beantwoord over ‘wie gaat er’: eerst gaat Jezus alleen, 
dan komt hij terug en gaat hij samen met zijn gelovigen.
 

Maar dan nog die andere vraag: waarheen dan? Waarheen gaat Jezus dan eerst alleen?
Dat zegt Jezus in vers 4: waar IK heen ga - u weet het en u weet de weg.
Die weg, dat is de weg die Jezus alleen moet gaan.
De weg waar zij hem nu nog niet kunnen volgen.
De weg van lijden en sterven.
 

Dit gesprek is op de laatste avond voor Jezus gevangengenomen wordt.
Hij weet dat. Hij is daar heel erg mee bezig.
Hij weet: nog een paar uur, dan word ik meegenomen en morgen zal ik sterven.
Het staat in Johannes 13:1, Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en 
dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader.
Hij zag de weg vlak voor zich. De weg van veroordeeld worden,
gegeseld worden; de weg van het kruis.
Dát zegt hij, zonder het heel duidelijk te benoemen, tegen zijn leerlingen: 
waar IK heenga, mijn weg, die kennen jullie.
 

Maar Tomas begrijpt het niet.
Hij vraagt: Heer, u zegt dat wel, maar wij weten niet waar u heen gaat.
Hoe kunnen we dan de weg weten?
Eigenlijk dezelfde vraag als Petrus stelde in 13:36.
Maar Jezus gaat er weer niet echt op in.
Dat ene antwoord moet genoeg zijn: ‘waar ik heen ga - jullie weten de weg’.
Meer hoeft daar niet over gezegd te worden.
 

Jezus gaat het nu weer hebben over de weg die de leerlingen moeten gaan.
Jezus denkt vooral weer aan de mensen die hem volgen.
Net als het antwoord bij de vraag van Petrus. Jezus wil het niet over zichzelf hebben,
maar hij is vooral gericht op zijn leerlingen.
Dat valt sowieso op in deze hoofdstukken van Johannes. 
Het zijn gesprekken vlak voordat Jezus het vreselijke lijden moet meemaken.
Hij weet dat heel goed. Je merkt het voortdurend in de gesprekken.
Maar wat Jezus zegt, gaat vooral over zijn leerlingen, over hoe het met hén verder moet.
Daarin zie je zijn grote liefde en zorg voor zijn mensen.


Zo zegt Jezus tegen Tomas: je vraagt naar de weg? 
Voor jullie is er maar één weg van belang. IK ben de weg.
 

Dat is dus niet de weg die Jezus zelf moet gaan.
Dat is de weg die zijn leerlingen moeten gaan.
Dat is een andere weg dan de weg van Jezus zelf.
Jezus volgen betekent niet: dezelfde weg gaan als hij. Het is niet: 
hetzelfde moeten meemaken als hij. Daarin is Jezus niet ons voorbeeld.
In andere dingen wel. Hij heeft dat in hoofdstuk 13 nog laten zien en zelf gezegd: 
hij is een voorbeeld van liefde.
Ga zo met mensen om zoals Jezus gedaan heeft.
 

Maar hij is geen voorbeeld van hoe je bij God moet komen.
De weg die Jezus moest gaan naar God was een weg die hij alleen ging.
Hij zegt: de weg die ik ga, kennen jullie. Maar je hoeft hem zelf niet te gaan.
Want voor jullie ben IK de weg.
 

Even terug naar het begin van deze preek.
Een trap en een lift. Jezus zegt: ik moet mijn weg gaan. Mijn weg naar God.
Dat is de trap. Tree voor tree omhoog. Op eigen kracht. Zelf gaan.
Dat is de weg van gehoorzaam zijn. Straf krijgen voor de zonden en toch volhouden.
Jezus zegt: ik ga de trap op.
 

Maar voor jullie ben ik de lift.
Ik ga de trap op naar mijn Vader. Als ik dat volbracht heb,
kom ik terug en (vs.3) dan zal ik jullie met me meenemen.
Stap maar in mij. Ik ben de lift. Je hoeft niet mijn weg te gaan,
de trap op. Je mag in mij zijn. Ik breng je naar Vader.
Ik ben voor jou de weg naar God.
 

Je hoeft niet al die treden van de trap zelf te nemen.
Je hoeft niet zelf naar God toe te klimmen door gehoorzaam te zijn, door heel gelovig te doen, 
door goed te leven of wat ook maar. Dat was wel de weg voor Jezus.
Maar voor u en jou is er de lift. Je hoeft maar één stap te doen:
stap in Jezus Christus. Geloof in hem. Hij is de weg.
 

Hij zegt niet ‘ik wijs de weg’.
Het is niet zo dat Jezus ons de weg wijst naar God.
Jezus staat niet onderaan de trap te wijzen: kijk, hier moet je gaan.
Doe je best als christen, ga trouw naar de kerk, neem God serieus, leef zoals hij wil; 
als je dat je leven lang volhoudt, kom je wel bij God.
Nee, hij opent de deuren van de lift. Hij opent zijn armen.
Kom, ik ben de weg. Kom in mij en ik breng je bij Vader.
 

Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Dat is niet: ik ben de weg naar de waarheid en naar het leven.
Christen-zijn is niet een manier om ooit de waarheid van het leven te vinden.
Als je in Jezus Christus gelooft, heb je de waarheid.
Dat is de hoogste waarheid in deze wereld.
De ware God zelf. De enige die niet liegt maar zuivere waarheid is.
En christen-zijn is niet op weg zijn naar het leven.
Als je in Jezus Christus gelooft, heb je het leven. Hij is je leven. Hij alleen.
 

Jezus laat zo duidelijk merken: hij is voor u en jou de enige weg.
Er is niet nog een andere lift naar God. Moslims of Boeddhisten komen niet 
via de achteringang en een andere lift uiteindelijk toch op dezelfde verdieping uit.
Er is maar één weg, één waarheid, één die het echte leven geeft: Jezus Christus.
Hij is de enige weg naar God. Dat zeggen we niet omdat wij onszelf als christenen zo goed vinden, 
maar omdat hij dat zelf gezegd heeft.
 

Hij is ook de weg die je er helemaal brengt.
De lift brengt je niet een stuk omhoog en dan moet je de rest verder lopen.
Zo van: Jezus draagt de straf voor je en nu moet jij uit dankbaarheid je 
wel aan Gods wet houden anders kom je er nog niet.
Nee, hij is dé weg. De enige weg en de weg waardoor je er helemaal komt.
Als je in Jezus Christus gelooft, ben je bij God.
 

De Zoon van God werd geboren als klein kindje. Hij begon onderaan de trap.
Hij klom tree voor tree omhoog.
Zijn weg van gehoorzaam zijn. Dwars door heel veel pijn en lijden heen.
Dwars door de dood heen. Met kerst begon die lijdensweg.
Wij hoeven Jezus daarin niet te volgen. We mogen van een afstand kijken.
Met schaamte, want eigenlijk zouden we zelf die moeilijke weg moeten gaan, 
maar we kunnen het niet. Maar we mogen ook heel dankbaar kijken.
Hij ging voor ons die moeilijke weg, van de voederbak in Bethlehem tot aan het kruis op Golgotha. 
Hij klom op eigen kracht die zware trap op.
 

En kijk, daar is voor ons de lift!
Stap u ook in?
 

AMEN