Preek week 30

preek v.d. week 30
  


  

wij gaan verder met de serie over Jezus zeg:" Ik ben ....." 

deze week zegt Jezus: " Ik ben de goede Herder" 

Laten wij eerst lezen:  Johannes 10:1-21; Ezechiël 34:1-24 

 
Jezus zegt: ik ben de herder die God zou geven
1. niet zoals de slechte herders
2. maar de goede herder die alles geeft
 

Jezus is de goede herder.
Wat is dat toch een mooi plaatje. Zo lieflijk.
Er is een mooi liedje van: Jezus is de goede herder, Jezus hij is overal.

Psalm 23 is een mooie psalm.
 

Maar als Jezus zegt ‘ik ben de goede herder’, klinkt dat helemaal niet zo lieflijk.
Toen Jezus dit zei, had hij geen kinderbijbelvoorleestoon.
Hij was boos. Hij was verontwaardigd.
En dat is niet alleen hier in Johannes 10.
Het is veel vaker in de bijbel: als het gaat over de goede herder, 
is dat vaak tegen de achtergrond van de boosheid van God.
‘De goede herder’, dat is een uitspraak met de vuist op tafel!
 

Laten we eerst eens kijken in Johannes 10.
Waarom begint Jezus eigenlijk over een herder en schapen?
Bij de andere ik-ben-uitspraken was er meestal wel een aanleiding.
Jezus had brood uitgedeeld, heel veel mensen hadden er goed van gegeten en ze wilden nog meer.
En dan zegt Jezus: het echte brood - dat ben ik.
Jezus had ‘s morgens een vrouw geholpen, waarschijnlijk bij het opkomen van de zon. 
Jezus zegt dan: het echte zonlicht - dat ben ik. Maar waar komt nu opeens die herder vandaan?
Of zou Jezus zomaar een vergelijking hebben gezocht? ‘Ik ben .... wat zal ik nu weer eens noemen... ik ben een herder’.
Nee, ook deze keer is het andersom. De goede herder - dat ben ik.
 

Daarvoor moet je hoofdstuk 9 erbij nemen.
Jezus heeft een blinde man geholpen. Hij was zijn leven lang blind, 
maar hij kan nu weer zien. Dat heeft Jezus gedaan.
Maar wel op de sabbat, op de rustdag.
Dat geeft problemen met de Farizeeën (dat is een strenge geloofsrichting onder de Joden) 
en met de leiders van de joodse synagoge (zeg maar: de joodse kerk).
Die horen ervan. Ze horen wat Jezus gedaan heeft - en ze hebben al zo’n hekel aan die Jezus.
Ze horen ook wat die man die eerst blind was over Jezus vertelt.
Die man zegt: deze Jezus moet wel bij God vandaan komen.
Dat kunnen ze niet hebben.
En dan zetten ze deze man buiten de synagoge, buiten de kerk. Ze jagen hem weg.
 

Jezus krijgt dat te horen. Hij zoekt meteen die man op.
Als die man die eerst blind was hoort dat dit Jezus is die hem genezen heeft, 
buigt hij voor Jezus neer: Heer, ik geloof.
 

Daar zie je het grote verschil tussen de Joodse leiders en Jezus.
De Joden jagen iemand weg en laten hem aan zijn lot over.
Jezus zoekt hem juist op; de man luistert naar Jezus en volgt hem.
 

En dán begint Jezus over schapen en herders, over echte herders, en dieven en rovers.
Over schapen die de echte herder herkennen en hem volgen.
Dat is in beeldtaal het commentaar van Jezus bij wat er net gebeurd is.
Jezus heeft die man opgezocht en die man heeft hem herkend, 
net zoals een goede herder naar de schapen gaat en de schapen hem herkennen en volgen.
Hem wel, en niet die zogenaamde herders die slechte herders zijn.
Het zou heel best kunnen dat de Farizeeën en de synagoge-leiders zichzelf de herders van Israël genoemd hebben.
 

Dan wordt het dus toch ook hier net als bij de eerdere ik-ben-uitspraken: 
als we het hebben over herder zijn, over zorgen voor een verdwaald schaap,
dan ben ik het. De goede herder, dat ben ik.
Niet jullie, niet de leiders van Israël, maar ik ben de goede herder.
 

Daar klinkt dus een sterke tegenstelling.
Die zie je in het hele stuk. Het gaat steeds over de goede herder tegenover de dief en de rover. 
De goede herder tegenover de huurling. Vooral die laatste, die huurling. 
Iemand die niet zelf de eigenaar van de schapen is en ook helemaal geen liefde voor die beesten heeft.
Hij noemt zich wel herder, maar hij is het niet echt.
Hij denkt alleen aan zichzelf. Hij wil er zelf beter van worden.
 

Je hoort hier de verontwaardiging, de boosheid van Jezus. 
Hij slaat met zijn vuist op tafel: de goede herder - dat ben ik!
 

Dat is dezelfde boosheid en verontwaardiging die we gelezen hebben in Ezechiël 34.
Dat is ongeveer 600 jaar eerder. De profeet Ezechiël moet in opdracht van 
God tekeer gaan tegen de herders, de leiders van het volk Israël.
Die leiders (dan kun je denken aan de koning en de mensen om hem heen; 
ook aan de priesters en profeten die niet naar God luisterden),
ze hadden goed voor zichzelf gezorgd, maar niet voor de kudde.
In Ezechiël 22 worden daar voorbeelden van genoemd: de vorsten in 
de stad zijn als leeuwen die hun prooi verscheuren: er worden mensen vermoord,
schatten en kostbaarheden geroofd.De priesters leven zelf absoluut onheilig. 
Profeten praten alles goed, bedenken hun eigen boodschap en roepen dan ‘zo zegt de HEER’.
En de gewone Israëliet is er de dupe van.

 
Daar is God de HEER heel boos over.
Want het zijn zíjn schapen.
De HEER is de eigenaar van deze kudde. Israël is zijn kudde.
Daarom gaat de HEER de herders straffen. Hij brengt zelf de 
kudde opnieuw bij elkaar en geeft een nieuwe herder.
Een herder die wel de kudde zal weiden zoals het moet: David. 
De nieuwe David, genoemd naar de grote koning uit de bloeitijd van Israël.
De HEER zelf zorgt voor een nieuwe herder, omdat hij zo boos is op al die 
herders van Israël die zo de kudde verwaarloosd en uitgebuit hebben.
 

Ditzelfde thema kom je ook tegen in de profetieën van Jeremia, Jeremia 23. Ook in Zacharia 11.
Het is een bekend thema in het Oude Testament, en er zit altijd de klank in van de boosheid van God.
Zijn boosheid over de verkeerde herders èn de belofte dat hij zelf voor een nieuwe herder zorgt.
 

Zo komt het hier terug in de woorden van Jezus.
Die goede herder die God beloofd heeft, ben ik.
Vijf, zeshonderd jaar nadat God het beloofd had, is het gebeurd: 
de goede herder, de nakomeling van David is gekomen.
Maar daar zit tegelijk dezelfde boosheid in: wat gaan jullie toch verkeerd om met de kudde van God.
 

Dat het nodig was dat Jezus kwam. Dat God zo moest ingrijpen.
Dat hij zelf, in zijn Zoon Jezus Christus, moest komen om herder voor zijn volk te zijn.
Kerst is een geweldig mooi feest.
Kerst is ook een groot verwijt van God aan mensen.
Een terecht verwijt: jullie hebben het zo erg gemaakt in deze wereld, 
dat Gods eigen Zoon moest komen om in te grijpen.
Om als goede herder orde op zaken te stellen.
Daarom mag je best stil worden in en rond de Kerst.
 

Ook als je bij advent denkt aan het nog eens terugkomen van Jezus Christus.
Jezus komt terug. Misschien morgen wel. Wat vindt hij hier dan?
Vindt hij dan een mensenwereld die als één kudde schapen op hem wacht?
Vindt hij dan leiders die als goede herders bezig zijn?
Of moet hij dan weer met de vuist op tafel slaan: de enige goede herder, 
dat ben ik, en jullie hebben er weer een puinhoop van gemaakt.
Dat kan ook een verwijt zijn aan de schapen. Waar heb je naar geluisterd?
U en jij, hier in de gemeente, jij mens in deze wereld waarin zoveel geroepen wordt.
Waar luister je naar? Welke stem volg je? Op welke weg laat jij je meenemen?
Er is maar één goede herder.
Volg hem. 

2 Die goede herder is de herder die alles geeft.
Vers 10 tekent heel duidelijk de tegenstelling. De dief komt alleen maar om te roven, 
te slachten en te vernietigen. Een dief is op zichzelf gericht.
Net als de huurling, in vers 12. De uitzendkracht. Die gaat alleen voor zijn eigen loon.
De schapen interesseren hem niet echt,
ze zijn alleen van belang omdat ze hem wat opleveren.
Daarmee tekent Jezus de houding van veel leiders, van veel mensen in het algemeen: de ik-houding.
Word ik er beter van? Hoe haal ik er het meest uit?
De medemens is dan iemand die jij kunt gebruiken voor jouw doel, om er zelf beter van te worden.
Dat was de houding van de leider van Israël toen.
Dat is de houding van veel mensen.
De Romeinen hadden daar een gezegde voor: homo hominem lupus est. 
De mens is de mens een wolf. De ene mens is een wolf voor de ander.
 

Jezus laat een andere houding zien.
Ik ben niet gekomen voor mezelf, ik-gericht.
Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.
Jezus is gekomen om te geven. Jesus hominem pastor est.
Jezus is de mens een herder. Hij geeft, hij zorgt. 
Hij zoekt wat het beste is voor de mens.
 

Hij geeft daarvoor zelfs zijn eigen leven.
Dat begon al met kerst.
De geboorte van Jezus, dat is dat de Zoon van God zijn heerlijkheid in de hemel opgaf en mens werd.
Als mens hier op aarde gaf hij alles op. Zo ging hij met mensen om. 
Hij gaf zijn tijd, zijn aandacht. Hij was steeds op anderen gericht.
Hij gaf er uiteindelijk zelfs zijn leven voor. Hij liet zich gevangen nemen en aan het kruis timmeren.
We vieren met kerst de komst van de Zoon van God die mens werd om alles te geven.
 

Zo werd hij de enige goede herder.
Hij werd de beloofde herder voor het volk Israël.
De beloften van God via Ezechiël en Jeremia werden werkelijkheid in Jezus.
Hij bracht de Israëlieten, voor zover ze wilden luisteren, weer terug bij de HEER.
Hij werd ook de goede herder voor andere volken.
Er waren ook schapen in andere schaapskooien. Buiten het volk Israël. Schapen in Europa, 
schapen in Nederland, schapen op allerlei plaatsen in de wereld.
Jezus, de goede herder, gaf zijn leven om al die schapen bij God te brengen.
God gaat nog veel breder dan de profetie uit Ezechiel laat zien. 
Uit alle volken mogen mensen komen bij herder Jezus. Zo royaal is God.
 

En herder Jezus geeft hun het leven in al zijn volheid.
Dat is ook wat Jezus vandaag tegen u en jou zegt.
Tegen u, leden van de gemeente van Jezus Christus. Tegen u, als u geen lid bent, als u niet bij de kudde hoort.
Jezus zegt het heel royaal: ik ben de goede herder, ook voor jou.
Als het moet, zegt hij dat met de vuist op tafel: luister toch niet naar al die dwaalleraars.
Hij zegt het vooral met heel veel liefde: ik wil jou alles geven. Ik geef je het leven in al zijn volheid.
Leven zoals God het bedoeld heeft. Echt volop leven.
 

Daar zit een belofte in.
Wat dat totale leven is er nu nog niet.
Het leven zoals het op z’n allermooist zal zijn. Echt voluit leven.
Het is er nog niet. Jezus heeft beloofd dat het komt,
als de profetieën helemaal vervuld worden.
Als Jezus voor de tweede keer komt.
Dan zal hij als de goede herder al zijn schapen bij elkaar halen. 
Dan neemt hij zijn schapen mee. In Openbaring 7:17 staat: hij zal hen weiden, 
hen naar de waterbronnen van het leven brengen. Daar kijken we naar vooruit. 
Advent is vooruit kijken naar de tweede komst van Jezus Christus.
De goede herder komt terug om zijn schapen te brengen naar het leven in volheid, 
het leven in heerlijkheid, eeuwig leven. Straks roept hij en de schapen die zijn stem kennen, 
volgen hem en gaan met hem mee. Wil jij straks ook met hem mee?
Ken dan nu zijn stem en volg hem nu.  

AMEN