Preek week 23

Preek v.d. week 23

 

 

LAAT ME BINNEN, IK WIL BIJ JE ZIJN.

 

preek gaat over Openbaring 3:20

 

Laten wij lezen:

 

Lucas 19:1-10, Openbaring 3:14-22

 
 

Heb jij de deur van je hart al opengedaan?
Is de Heer Jezus Christus bij jou binnengekomen?
Zit hij bij jou aan tafel? Jij bij hem?
Hij wil dat! Probeer dit zo te lezen, naar wat de Heer zegt.
 

Hoor je me kloppen. Doe je voor me open? Mag ik er in?
Ik wil bij je binnenkomen. Dan gaan we samen eten.
Niet even snel een hapje naar binnen werken. We gaan er rustig voor zitten.
Het eten is niet het belangrijkste. Net als wanneer je met je vriendin uit eten gaat.
het is fijn als het eten lekker is. Maar het belangrijkste is dat je samen bent. De tijd voor elkaar hebt.
Zo wil ik bij jou zijn. Ik wil dat jij bij mij bent. Ik klop aan bij jouw leven.
 

Ik wil vaste gast zijn in jouw leven. Ik wil alles met je delen. Ik luister naar je.
Vertel me alles maar. Ik zit bij jou aan de keukentafel. Of samen op de bank.
Ik luister naar jouw verhaal. Ik luister naar jouw verdriet. 
Jouw teleurstelling. Jouw trots. Vertel me het verhaal van waar je het zo moeilijk mee hebt.
De lege plek aan jouw tafel. De lege plek in je hart.
Ik luister naar je en ik begrijp dat je honger hebt. Je hebt verlangens, maar je durft ze niet te zeggen. 
Ik merk dat je dorst hebt. Vertel me maar wat je allemaal gedaan hebt om je honger en je dorst te stillen.
Was het wat je zocht? Heb je bevrediging gevonden?
Of bleef er een leegte in je? Bleef er onrust, twijfel, zoeken en vragen?
 

Ik klop aan je deur. Ik wil bij jou aan tafel zitten. Vertel jij maar wat je wilt vertellen.
Zwijg maar wat je wilt verzwijgen. Ook als je zwijgt, 
begrijp ik hoe je je voelt en weet ik wat je bedoelt.
Ik weet wat je vertellen wilt, maar wat je bij niemand kwijt kunt.
 

Nee, je hoeft niet steeds te zeggen dat je tafel niet zo royaal gedekt is.
Je hoeft niet elke keer te waarschuwen dat de stoel waar je me op laat zitten, zo door kan zakken. 
Dat weet ik ook wel. Ik wist het al voor ik bij je aanklopte.
Maar ik zit hier goed. Want ik zit hier bij jou.
Ik wil met jou samen eten, samen leven.
 

En we draaien de rollen gewoon om. Jij zit bij mij aan tafel.
Met je diepe honger mag je bij mij komen. Kom maar, eet en drink, ik heb genoeg voor je.
Nee, je hoeft niet te betalen. Ik weet dat je geen geld hebt.
Je krijgt bij mij wijn en melk zonder betaling. Ik geef je ruimschoots te eten.
Geniet maar van mijn overvloedige maal (Jesaja 55:1,2).
Ik geef je levend water. Als je daarvan drinkt, gaat je dorst wèl over. (Johannes 4:14)
Het is een verademing om bij mij te zijn.
Kom maar bij me zitten. Hier zit je goed.Ik bij jou. Jij bij mij.
Als je thuis bent en als je onderweg bent. Als je naar bed gaat en als je opstaat.
Schrijf het maar op je hand. Hang maar een bordje in de gang. (Deut.6:7-9)
Altijd, overal: ik bij jou, jij bij mij.
 

Ik heb dat toch gezegd? Ik zei het tegen de leerlingen: 
Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg,
mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. (Johannes 14:23)
Daarom klop ik bij je aan. Namens mijn Vader. We willen bij je wonen!
Laat me binnen, ik wil bij jou zijn!
 

Maar Heer, u bent toch al lang bij ons? We zijn toch uw gemeente? Ik ben toch ook gedoopt? 
We zitten toch elke zondag in de kerk? U hoeft bij ons toch niet meer binnen te komen?
We willen best eens kijken of we eventueel met deze tekst iemand van buiten de kerk kunnen uitnodigen.
Maar hier in de kerk? U bent toch al lang bij ons?
 

Dat zeiden ze in Laodicea ook.
‘Wij zijn rijk. We hebben alles wat me maar willen. We hebben niets meer nodig’.
Het gaat prima met ons. Maar ik stond vóór de deur. Buiten.
Ik stond niet te kloppen bij anderen. Bij mensen die mij niet kenden.
Dat ook wel. Maar ik moest opnieuw beginnen bij mijn eigen gemeente.
Ik sta aan de deur van jullie harten.
Ik ben wel in jullie vormen: in je kerkdiensten, in je vergaderingen, in je keurige manier van leven. 
Je bent een prima christen - zo te zien. Maar ben ik ook in je hart? Ben ik echt bij jou binnengekomen?
Ik ben wel in jullie gemeente als geheel. Net als Laodicea: 
één van de zeven kandelaren waar ik voortdurend mee bezig ben. Mijn gemeente.
Maar heb JIJ mij ook binnengelaten? Ik wil bij JOU zijn.
 

Maar Heer, wilt u echt bij mij zijn? Bedoelt u niet iemand anders?
Ik zet mijn leven helemaal niet voor open. Van binnen ben ik al afgehaakt.
Ik durf u niet meer binnen te vragen. Ik heb u al zo vaak buiten de deur gezet.
Het is zo’n puinhoop bij mij van binnen. Als u dat gezien hebt,
loopt u vast door naar een ander. Ik zie er genoeg die u graag uitnodigen.
Ik durf het niet.
 

Ik bedoel echt jou.
Ken jij Zacheüs? Die durfde ook niet.
Hij zette zijn deur ook niet voor mij open. Hij stond niet op straat mij op te wachten: Heer, 
mijn deur staat voor u open. Hij verstopte zichzelf. 
Hij wilde mij wel zien, maar ik mocht hem niet zien.
Hij had zichzelf op slot gedaan en gluurde alleen door de kiertjes naar buiten.
Al had hij bij me willen komen, hij had het nooit gedurfd.
Hij schaamde zich.
 

Maar je weet wat ik gedaan heb.
Ik heb hem opgezocht. Ik wist waar hij was.
Ik heb hem geroepen: kom, ik wil in jouw huis zijn.
Jij sluit je af, maar ik wil dat jouw deur voor mij opengaat.
Wat ik tegen Zacheüs zei, zeg ik ook tegen jou. 

Luister nou goed.
Ik zeg niet ‘ik loop langs de deuren; als iemand zijn deur open doet en mij roept, 
dan zal ik komen en beoordelen of ik wel of niet bij hem naar binnen wil gaan’.
Ik sta voor jouw deur. Kruip niet weg achter je gordijntjes.
Wacht niet tot ik weer verder loop. Ik loop niet verder, ik blijf kloppen.
Ik heb je wel gezien. Je bent thuis. Ik wil er in. Ik wil bij je zijn.
Ja, ik bedoel echt jou.
 

Maar Heer, dan moet ik toch eerst gaan opruimen?
Er ligt zoveel troep in mijn leven. Overal waar u kijkt, is het een puinhoop.
De dingen waarmee ik u de vorige keer m’n huis uit gejaagd heb,
liggen er nog. Ik schaam me zo.
Ik doe u straks wel open. Blijft u nog even staan.
Ik vind dat ik eerst zoveel mogelijk moet opruimen.
Waarom zeg je dat nou?
Het lijkt wel of je de troep in je leven belangrijker vindt dan mij.
Ik weet best wel wat een puinhoop het bij jou is.
Maar ik zou zo graag willen dat je eerst mij om mijn nek vliegt.
Doe eerst maar eens open. Wees blij dat ik er ben!
 

Stel je voor dat je naar Australië geëmigreerd bent.
Je woont daar al weer heel wat jaren, maar het valt allemaal zo tegen.
Je voelt je zo alleen, ver van de familie. Maar je hebt geen geld om naar Nederland te vliegen. 
Wat mis je je ouders. En dan staan ze op een morgen zomaar voor je deur.
Wat doe je dan?Zeg je dan door het spleetje van de brievenbus: 
mijn huis is niet netjes; ik ga eerst opruimen. Als ik klaar ben, laat ik jullie wel binnen?
Nee toch?! Dan trek je toch meteen de deur open: kom binnen.
Opruimen komt daarna wel.
 

Ik sta voor je deur.
Ik houd er rekening mee dat het een grote puinhoop is, bij jou van binnen.
Toch wil ik er in. Ik wil bij jou zijn. We gaan samen eten en bijpraten en 
het goed hebben met elkaar. Daarna help ik je wel met opruimen.
 

Dat heb ik bij Zacheüs ook gedaan.
Is hij eerst naar huis gegaan om mensen het geld terug te betalen dat hij teveel gevraagd had?
Heb ik op straat staan wachten tot hij alles eerlijk geregeld had?
Nee. Hij ontving mij vol vreugde.
Ik ben bij hem aan tafel gaan zitten. We hebben gegeten.
Toen wist Zacheüs wat hij moest doen: schoon schip maken.
 

Laat me nu maar binnen.
Straks help ik je wel met opruimen.
 

Maar HEER, ik hoor u niet kloppen.
Misschien klopt u wel aan bij anderen. Maar niet aan mijn deur.
Ik merk daar niets van. Ik voel het niet.
U slaat mij blijkbaar over.
En er is toch ook zoiets van ‘verkiezing en verwerping’. Ik hoor blijkbaar bij dat laatste.
 

Hoor je me echt niet aankloppen?
Heb je nooit gemerkt dat ik jou bedoelde?
Ik klop elke zondagmorgen bij je aan, als jij tenminste hier bent.
Klop klop, mag ik bij je binnenkomen met ‘genade en vrede voor u’?
Hoe vaak heb ik al bij je aangeklopt als je op de A6 reed, langs de grote bord
‘wie in de Zoon van God gelooft, heeft eeuwig leven’.
Dan klopte ik bij je aan: geloof jij in mij? Ik klop op jouw deur in de preken.
Ik vraag om bij jou binnen te mogen, door een uitnodiging voor de gemeentegroep, 
in dat lied dat je toevallig hoort, in dat gemeentelid dat jou opbelt.

Dat ben ik. Ik klop bij jou aan.
 
Heb je dat tot nu toe niet gemerkt?
Zit daar maar niet over in. Ik ben niet weggelopen.
Ik sta nog voor je deur. Ik klop nu bij je aan.
Nu niet zeggen dat je het niet hoort, want je hoort het best.
Ik sta voor de deur en klop aan.
Ik vraag het je nu: mag ik bij je binnenkomen?
 

Wat je zei over ‘uitverkiezing’. Ja, ik wil je graag een keer uitleggen dat achter jouw 
keus om open te doen uiteindelijk mijn keus voor jou zit.
Maar dat komt later wel.
Doe eerst maar gewoon open. Laten we eerst maar gaan eten.
Er is vast nog heel veel te bepraten.
Dus ik vraag het nog maar een keer: mag ik bij je binnenkomen?
 

Ja Heer.

 
AMEN