Gedenkteken
Lees Jozua 4

Veertig jaar nadat Mozes het volk Israël uit Egypte had uitgeleid staan ze aan de grens van hét "Beloofde Land". Er is heel wat gebeurd in die periode en dat staat allemaal opgetekend in het boek Exodus. Gods volk heeft in die tijd veel meegemaakt. Ze hebben "ups en downs" gekend, zouden we zeggen en als we het boek Exodus doorlezen komen we waarschijnlijk tot de conclusie dat het heel wat meer "downs" dan "ups" zijn geweest.
 
Merkwaardig: het is zelfs op de kop af veertig jaar geleden dat ze uit Egypte wegtrokken. In Exodus 12, in vers 2 lezen we hoe God aan Mozes de opdracht geeft om bij de uittocht uit Egypte als het ware een nieuwe jaartelling te beginnen:
 
"Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn."

En de Israëlieten gaven deze maand de naam Nisan. En in onze schriftlezing van vandaag, in vers 19, lezen we:
 
"Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostelijke grens van Jericho."
 
Aan het begin van het boek Jozua lezen we het verslag van een geweldig, historisch gebeuren: heel het volk van God, en dat was intussen uitgegroeid tot een miljoenenvolk, moest de Jordaan overtrekken. In het derde hoofdstuk van dit bijbelboek wordt dit prachtig en tot in detail beschreven.
 
Die overtocht van het volk door de Jordaan was een wonder van de Here. Zo werd het ook aan Jozua aangekondigd in vers 5 van het derde hoofdstuk:
 
"Heiligt u, want morgen zal de Here in uw midden wonderen doen."
 
We lezen hoe de Heer opdracht geeft aan Jozua om de priesters, die de Ark van het Verbond met zich meedragen, plaats te laten nemen in het midden van de Jordaan. En vanaf het moment dat de voeten van de priesters in het water komen, stopt de stroom en het volk kan over het droge naar de overkant lopen.
 
In feite herhaalt de Here het wonder dat Hij voor het volk deed toen ze, achterna gezeten door de Egyptenaren, door de Schelfzee trokken. En daardoor toont de Here voor de zoveelste maal dat Hij zelf voor zijn volk zorgt; dat ze zich geen zorgen hoeven te maken, hoe hachelijk de situatie ook lijkt, want dat Hij zélf vóór hen zal uitgaan en voor hen zal zorgen en zelfs voor hen zal strijden als dat nodig is.
 
Met die overtocht over de Jordaan is de zaak natuurlijk nog niet geklonken. Ze zijn dan wel binnengetreden in het land dat God hun wil schenken, maar ze hebben dat land zeker nog niet in bezit genomen. Er staat nog heel wat werk te doen en wie wil kan dat in de volgende hoofdstukken van het boek Jozua nog eens nalezen in de komende dagen.
 
Maar er is wél een nieuwe mijlpaal bereikt; er is als het ware een nieuw tijdvak, een nieuwe periode ingetreden. Toen ze de Schelfzee overstaken was dat een eerste mijlpaal: toen waren ze verlost uit de slavernij van Egypte; nu ze de Jordaan overtrekken begint er weer een nieuw tijdvak, een tijd waarin God hen deelachtig wil maken aan zijn beloften.
 
En op die "grens tussen twee tijdvakken" krijgen ze van God een merkwaardige opdracht. De Here beveelt hun om maar liefst twee gedenktekens op te richten. Elk gedenkteken moet uit twaalf stenen bestaan; Eén steen voor iedere stam van Israël.
 
Het eerste gedenkteken moeten ze oprichten in de Jordaan zélf. Het wordt gebouwd op de plaats waar de priesters stonden met de Ark van het Verbond en het wordt opgericht met stenen die ze van de oever hebben meegebracht.
 
Voor het tweede gedenkteken moeten ze twaalf stenen nemen uit de Jordaan en met die stenen zal een monument worden opgericht op het droge, op de oever van het Beloofde Land.
 
En aan het slot van ons gedeelte van deze morgen verklaart Jozua ook de bedoeling van deze twee gedenktekens:
 
"Wanneer uw kinderen later hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? dan zult gij uw kinderen aldus inlichten: Op het droge is Israël hier door de Jordaan getrokken, omdat de Here, uw God, de wateren van de Jordaan voor u heeft doen opdrogen, totdat gij erdoor getrokken waart, zoals de Here, uw God, gedaan heeft met de Schelfzee, die Hij voor ons heeft doen opdrogen totdat wij erdoor getrokken waren, opdat alle volken der aarde zouden weten, dat de hand des Heren sterk is, en zij de Here, uw God, al de dagen zouden vrezen."
 
Hier zien we weer iets merkwaardigs: de gedenktekens worden niet enkel opgericht om herinnerd te worden aan de doortocht door de Jordaan, aan het wonder dat God zojuist voor hun ogen heeft voltrokken. Diezelfde gedenktekens moeten hen ook herinneren aan het wonder dat God veertig jaar eerder verrichtte aan de Schelfzee, toen ze op de vlucht waren voor het leger van Farao.
 
Ze worden al het ware met hun neus op de feiten gedrukt: God heeft niet enkel nu, vandaag, op dit moment, voor je gezorgd... God is altijd al met jullie bezig geweest.
 
En die gedenktekens hebben dus in feite drie functies: ze moeten zelf aan God en aan Gods grote werken herinnerd worden; ze moeten het doorvertellen aan hun kinderen en ze moeten het aan alle volken der aarde, aan de hele wereld, laten weten dat de hand des Heren een sterke hand is en dat Hij iemand is die trouw blijft en die zijn beloften nakomt. Nu en altijd!  
 
wij kunnen dus nu ook weer terugblikken op een tijdvak uit ons leven. Het is dan wel geen periode van veertig jaar zoals het tijdvak dat het volk van God afsloot toen ze de Jordaan overtrokken, maar het geeft ons toch ook de gelegenheid om even achterom te blikken.
 
Terugblikken doen we iedereen wel op een of andere manier in deze dagen; we worden daar op alle mogelijke manieren bij geholpen en aan herinnerd.  
     
We worden er met onze neus op gedrukt dat mensen in alle delen van deze wereld nog steeds onderdrukt worden.
 
Al die dingen kunnen ons angstig en droevig stemmen... Ze mogen ons ook herinneren aan de woorden van Jezus uit Matteus hoofdstuk 24, vers 6 tot 8, die Žn een waarschuwing, Žn een bemoediging voor ons zijn:
 
"Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, wees niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dat alles is het begin der weeën".  
 
Maar u en ik stellen ons  waarschijnlijk niet enkel vragen over het wereldgebeuren. We staan misschien ook toch wel even stil bij de vraag: "Wat heeft de afgelopen tijd voor u en voor mij betekend? Wat betekende dit jaar voor ons op geestelijk gebied, in ons leven met de Here, in onze persoonlijke geestelijke groei en in ons leven met mekaar, als Jezus gemeente?
 
Wanneer wij zo op een tijd terugblikken, wat valt ons dan op? Welke gedenkstenen kunnen wij dan plaatsen om ons eraan te herinneren dat God ook in deze tijd met ons is bezig geweest? Welke feiten zullen wij dan naar voor halen om aan anderen te vertellen dat de Here inderdaad met ons is meegegaan, ook in de afgelopen  dagen?
 
Weet u, als mensen hebben we zulke gedenkstenen echt wel nodig in ons leven. Want we vergeten allemaal toch zo vlug wat God voor ons deed en wat Hij in ons leven betekent. We beseffen vaak niet meer dat God inderdaad met ons leven bezig is en dat Hij zijn plan tot het einde zal volbrengen.
 
Er is in feite veel gelijkenis tussen ons en tussen dat volk dat God uit Egypte bevrijdde en naar het Beloofde Land deed trekken. Ze gingen ook vol goede moed op weg; natuurlijk waren ze dat slavenwerk onder de Egyptenaren kots-beu. Maar het duurde niet lang of ze begonnen te morren. "God had ons beter in Egypte gelaten... We hadden er verstandiger aan gedaan die Mozes niet als onze leider te accepteren... Nu gaat het toch echt helemaal de verkeerde kant op..."
 
En ondertussen hadden ze er gewoon geen oog meer voor dat God voor hen zorgde, dat Hij hen elke dag opnieuw voorzag van voedsel en van water, dat Hij hen heel die doortocht door de woestijn beschermde tegen vijandig gezinde volken.
 
Aan dat "vergeten van Gods dagelijkse zorg" worden we herinnerd in Psalm 106, waar de schrijver dit vaststelt in vers 13:
 
"Doch spoedig vergaten zij zijn daden
en wachtten niet op zijn raad;
zij werden met lust bevangen in de woestijn
en verzochten God in de wildernis."
 
Je denkt dan wel eens: als ze hun ogen maar hadden open getrokken, dan had heel die woestijn moeten vol staan met gedenktekens. Ze hadden dan immers stenen kunnen oprichten op al die plaatsen waar de Here hun van water en van manna en van kwartels had voorzien. Maar dat deden ze niet.
 
En toch moeten we hun niets verwijten; laat ons maar heel eerlijk zijn: wij hebben ook niet bepaald de aangeboren neiging om God steeds weer dankbaar te zijn voor zijn dagelijkse voorzienigheid. God moet wel heel grote dingen in ons leven doen, voor we er van opkijken; en misschien zien we het zelfs niet meer of zijn we het toch weer vlug vergeten wanneer Hij Zicht tastbaar in ons leven heeft ingegrepen.
 
En nochtans is het ontzettend belangrijk dat we daar oog voor hebben en dat we ons bewust zijn van Gods zorgende liefde voor ons, voor ieder van ons persoonlijk. Hoe kunnen we aan anderen vertellen wat Hij voor ons betekent en hoe zullen we tegen anderen getuigen wat Hij voor hen kan doen als we er ons zelf zo weinig van bewust zijn, als we er zelf zo zelden oog voor hebben.
 
Als we - net als het volk dat door de Jordaan was getrokken - de wereld willen wijzen op twee belangrijke gedenkstenen, dan zullen we ze ook eerst moeten oprichten in ons eigen leven!
   
Ik hoop tenminste dat u en ik, dat wij echt een aantal goede redenen hebben om minstens twee belangrijke gedenktekens op te richten.
 
Een eerste gedenkteken, dat kunnen wij ook plaatsen "midden in de Jordaan". Net als het volk van God zijn we "samen onderweg" en precies als zij kunnen we ervaren dat God ons wil begeleiden. Zijn wij ook bereid, om daar, midden in die stroom van het dagelijkse leven een gedenksteen te plaatsen om te getuigen: God zorgt voor mij; God betekent wat in mijn leven, elke dag opnieuw.
 
Ik ben uit mezelf te zwak. Ik kan de stroom niet tegenhouden maar dat hoef ik ook helemaal niet te doen. Als er toch een hindernis op mijn weg komt, waar ik niet tegen opgewassen ben, dan mag ik het zelfs niet in eigen kracht proberen. Dan is God daar; dan staat Hij er midden in en zal Hij zelf de stroom tegenhouden zodat ik er zonder bovenmenselijke inspanningen doorheen kom.
 
Van mij verlangt Hij alleen maar geloof en vertrouwen. Dat was het enige wat Hij van het volk Israël verwachtte en dat is ook het enige dat Hij mij vraagt: ik moet in het water durven stappen en gewoon naar de overkant gaan. Dat is alles wat van ons verlangd wordt; niet meer, maar ook niet minder.
 
En dat is dan een eerste gedenkteken waar we tegen onze kinderen en tegenover de wereld kunnen van vertellen: God zorgt voor mij en Hij is ook bereid om voor u allemaal te zorgen want Hij is een liefdevolle Vader en Hij houdt van alle mensen. Hij vraagt alleen dat je op zijn Zoon, op Jezus, ziet en dat je je leven dan ook volledig aan Hem toevertrouwt.
 
En een tweede gedenksteen moeten wij ook op de oever plaatsen, met stenen uit de Jordaan: een monument zoals het volk oprichtte in Gilgal. Deze plaats ontleent er trouwens zijn naam aan, want Gilgal betekent "steenkring". Die stenen daar moesten herinneren aan twee geweldige wonderen van de Here: de doortocht door de Schelfzee Žn de doortocht door de Jordaan.
 
En zo mogen ook wij een tweede monument oprichten dat ons herinnert aan twee belangrijke daden van Jezus: we moeten tegenover anderen kunnen getuigen dat Hij ons gered heeft van de geestelijke dood, want wij waren "dood door de zonde". En we mogen bovendien verkondigen dat Hij ons ook Žcht eeuwig leven schenkt omdat Hij door Zijn opstanding uit het graf de dood waarlijk heeft overwonnen.  
Terug naar onze schriftlezing: Jozua kreeg dus van God zelf de opdracht om die twee gedenkstenen op te richten. Hij krijgt reeds in hoofdstuk 3, in vers 12, een eerste bevel om die opdracht voor te bereiden:
 
"Welnu, neemt u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man."
 
God vertelt er op dat moment nog helemaal niet bij waarom die twaalf mannen moeten worden klaar gezet. Jozua moet de Here gewoon gehoorzamen. Op het juiste moment zal God wel duidelijk maken wat de bedoeling is.
 
God gebruikt ook heel dit gebeuren om Jozua in zijn leiderschap te bevestigen. Ik heb al vaak gedacht: "Het moet je maar overkomen, zoals Jozua; het moet je maar gebeuren dat de Heer jou aanduidt om iemand als Mozes op te volgen en om een volk als Israël te gaan leiden". Niet bepaald een taak om jaloers op te zijn.
 
In de eerste plaats was er Mozes: toch niet de eerste de beste; één van de grootste Godsmannen uit het Oude Testament. Maar achteraf beschouwd had ook Mozes heel sterk opgezien tegen de taak die God op zijn schouders had gelegd. Hij had er helemaal niet naar uitgekeken, had zelfs alle moeite gedaan om die verantwoordelijkheid te ontlopen: "Heer, zend a.u.b. iemand anders; ik ben toch zo slecht ter taal. Ik heb helemaal niet de gave om met Farao te gaan praten".
 
Maar God had Mozes duidelijk gemaakt dat Hij het moest doen en niemand anders. Maar God had ook Mozes geen moment aan zijn lot overgelaten. Natuurlijk: Mozes bleef een mens zoals u en ik en we lezen in Exodus zowel van zijn zwakke als van zijn grootse momenten. God zelf deed het werk en God maakte telkens opnieuw het volk, dat vaak morde en ook vaak twijfelde of Mozes wel de geknipte leider was, duidelijk dat dit wel degelijk Zijn keuze was.
 
En God maakt ook aan Jozua duidelijk dat Hij hem wil steunen en wil bevestigen zoals Hij dat ook met Mozes gedaan heeft. We lezen dat in vers 7 van hoofdstuk 3:
 
"En de Here zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben."
 
Dat is het geweldige in heel de heilsgeschiedenis: God bedient zich van mensen, maar Hij doet het werk. Die mensen, die God uitkiest, zijn gewone, zwakke mensen; maar Hij gebruikt ze voor Zijn taak, Hij bevestigt ze in die taak en Hij zal ze zelfs groot maken! Zelfs wanneer ze fouten maken en wanneer ze falen; zelfs wanneer anderen luidop hun twijfel beginnen uit te spreken: God richt ze op en bevestigt ze in hun taak.
 
Wanner God iemand geroepen heeft, zal Hij zich enkel van hem of haar afkeren wanneer ze zich echt van Hem afwenden en voor zichzelf kiezen. Dan lopen ze het risico dat God "Zijn Geest van hen wegneemt"!
 
Fantastisch is ook dat God niet alleen leiders aanduidt en ze bevestigt, maar dat Hij heel het volk wil inschakelen om voor Hem die twee gedenkstenen op te richten. In die twaalf mannen die Jozua moest aanduiden, zonder vooraf te weten waarvoor, betrekt de Here het gehele volk, alle twaalf de stammen zonder uitzondering, bij het oprichten van die gedenktekens, bij het verheerlijken van zijn Naam.
 
En zo wil Hij ook vandaag en in het komende jaar ons verder gebruiken: voor het verkondigen van Zijn Naam, voor het vestigen van Zijn Koninkrijk op deze wereld.
Uiterlijk is de Gemeente van Jezus, de Gemeente waartoe u en ik mogen horen, uiterlijk is dat slechts een groepje van kleine, zwakke mensen, vol fouten en gebreken. En de leiders die Jezus over die Gemeente heeft aangesteld zijn ook kleine, zwakke mensen, vervuld van vrees dat zij hun taak niet zullen aankunnen.
 
Hoe kun je dat nu weten? Iemand die met het evangelie in aanraking was gekomen stelde die vraag eens aan een predikant: "Hoe kan ik er nu zeker van zijn dat de Gemeente van Jezus inderdaad door God geleid wordt. Hoe kan ik weten dat dit echt Gods kerk is en niet gewoon een werk van mensen?"
 
En die predikant antwoordde: "Dat is heel eenvoudig. Probeer het zelf eens uit. Kies gewoon twaalf eenvoudige mensen uit en geef hun drie jaar lang onderricht over jouw godsdienstige opvattingen. Stuur ze dan op hun eentje de wereld in om die leer verder te verspreiden en kom binnen tweeduizend jaar dan maar eens kijken wat ze ervan terecht gebracht hebben."
 
Inderdaad: het feit dat Jezus Gemeente, ondanks alle tegenstand, ondanks alle onderlinge verdeeldheid, ondanks alle fouten en zwakheden, vandaag nog steeds bestaat is op zich een bewijs dat het Gods werk is. En net als bij het volk Israël is het God zelf die het werk doet, en wij moeten gewoon volgen en stil zijn en zonder vragen doen wat Hij opdraagt.
 
Wij hebben als taak voor de wereld gedenkstenen op te richten. Gedenkstenen die getuigen van Gods macht en van Gods liefde. Hebben wijzelf afgelopen jaar die macht en die liefde kunnen ervaren? En zijn wij bereid ons in het komende jaar als "levende stenen" te laten gebruiken? Ik denk hierbij aan die geweldige tekst uit de eerste brief van Petrus, in 1 Petrus 2, vanaf het derde vers:
 
"...indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is. En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus."
 

Amen.