Exodus 14:1-2, 5-7, 9-16


Na eeuwen wrede slavernij en mishandeling was Israël onder enorm gejubel en gejuich uit Egypte getrokken. Maar mooie liedjes duren niet lang. Staande aan de oevers van de Rode Zee zien zij achter hen een stofwolk die de achtervolging van de keurtroepen van de farao aankondigt. V.5 "Toen aan de koning van Egypte bericht werd, dat het volk gevlucht was, veranderde de gezindheid van Farao en van zijn dienaren ten aanzien van het volk, en zij zeiden: Wat hebben wij gedaan, dat wij Israël uit onze dienst hebben ontslagen?" Het vertrek van de onbezoldigde Israëlitische slaven betekent een economische ramp voor Egypte en daarom besluit Farao om ze terug te halen. Vv.9-10 "De Egyptenaren nu, al de paarden en wagens van Farao, zijn ruiters en zijn legermacht, achtervolgden hen en haalden hen in, terwijl zij gelegerd waren aan de zee, bij Pi-hachirot, tegenover Baal-sefon.

10 Toen Farao naderbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren rukten achter hen aan. Toen werden de Israëlieten zeer bevreesd en schreeuwden tot de Here". De Israëlieten schreeuwen niet alleen tot de Here; zij zwetsen ook tegen hun leider, Mozes: vv.11-12 "Waren er soms geen graven in Egypte, dat gij ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn? Wat hebt gij ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden? 12 Hebben wij u dit al niet gezegd in Egypte: laat ons met rust, en laten wij de Egyptenaren dienen. Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven.".

Mozes zit nu in een heel lastig parket. Elk seconde komen de zeshonderd uitgelezen wagens van Farao snel dichterbij, uitgerust met de modernste wapens. De Israëlieten raken in paniek en komen in opstand. Mozes moet iets doen, en snel, héél snel! Maar wat? Vooruit kunnen de Israëlieten niet, want de Rode Zee verspert hun de weg. Achteruit is ook geen aantrekkelijke optie, want dan worden Mozes en de leiders van de Israëlieten aangehouden en ter dood veroordeeld en wordt het gehele volk onder een juk van een zo mogelijk nog zwaardere slavernij herleid. Broeders en zusters, wanneer wij noch vooruit noch achteruit kunnen, welke richting kiezen we dan? Juist: naar boven! Een mirakel! Alleen een mirakel kan de Israëlieten redden! Mozes roept God aan. De inhoud van zijn bidden wordt ons niet meegedeeld, maar wel de manier waarop. Mozes bidt geen stil, fluisterend gebed in de zin van: "Heer, wij hebben het momenteel een klein beetje moeilijk; zou U ons a.u.b. eventueel een beetje willen helpen?". Neen, Mozes schreeuwt tot God - wellicht zoiets als: "Help, grijp in Heer, nu, meteen, onmiddellijk! Anders lynchen de Israëlieten mij, en worden zij door de Egyptenaren in de pan gehakt!". God antwoordt Mozes drie dingen: vv.15-16 1. "Wat roept gij zo luid tot Mij?" - "Hou op met uw paniekerig geschreeuw"; 2. "Zeg tot de Israëlieten, dat zij opbreken." - dat zij zich klaarmaken om te vertrekken; 3. "En gij, hef uw staf op". In deze drie bevelen liggen drie sleutels tot wonderen.

1. "WAT ROEPT GIJ ZO LUID TOT MIJ"
"Wat roept gij zo luid tot Mij?" De discipelen van Jezus raakte ook in paniek toen de nood hoog was: Marc.4:37-39 "er stak een zware stormwind op en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep. 38 Maar (Jezus) lag op het achterschip tegen het kussen te slapen. Zij maakten Hem wakker en zeiden tot Hem: Meester, trekt Gij er U niets van aan dat wij vergaan?". Waarom raakte de discipelen in paniek? Jezus is toch aan boord van hun schip. Weet u waarom zij in paniek raakte? Omdat zij naar de wind en de golven kijken, i.p.v. naar Jezus. "Zij maakten Hem wakker en zeiden tot Hem: Meester, trekt Gij er U niets van aan dat wij vergaan?". Jezus, daarentegen, blijft kalm: "39 Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en het werd volkomen stil.". "Wat roept gij zo luid tot mij?". Wij hoeven niet in paniek te raken. Jobs vriend, Elihu, raadt hem aan: Job 37:14 "o Job, sta stil en let op Gods wonderen.". De profeet Jesaja schrijft: 32:17 "de vrucht der gerechtigheid zal vrede zijn, de uitwerking der gerechtigheid rust en veiligheid tot in eeuwigheid.", en de profeet Jeremia: Klaagl.3:26 "goed is het, in stilheid te wachten op het heil des Heren".

2. "ZEG TOT DE ISRAËLIETEN, DAT ZIJ OPBREKEN"
Het tweede bevel dat God aan Mozes geeft, is: "Zeg tot de Israëlieten, dat zij opbreken.". Het volk moet zich klaarmaken voor een wonder. Hoe? Vv.13-14 "Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des Heren zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. 14 De Here zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.". Gemakkelijker gezegd dan gedaan! "Vreest niet … gij zult stil zijn." De Egyptenaren snellen alsmaar dichterbij en Mozes zegt: "Vreest niet … stil zijn."! Onmogelijk, Mozes!" En wat u daaraan toevoegt: "Houdt stand" is het aller domste bevel in deze omstandigheden. "Vluchten" is de boodschap, Mozes, niet: "standhouden"! Toch zijn "Vreest niet"; "stil zijn.", en standhouden essentiële delen van Gods mirakelstrategie. "Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des Heren zien … De Here zal voor u strijden, en gij zult stil zijn." Broeders en zusters, willen wij wonderen en tekenen zien, dan moeten wij Gods mirakelstrategie nauwkeurig volgen. Wij willen het dikwijls zelf uitstippelen, of de Heer helpen om wonder te doen, of God voorschrijven of Hem raad geven hoe Hij het best zou uitvoeren. Maar wonderen zijn niet deels bovennatuurlijk; zij zijn 100% bovennatuurlijk. In het Engels zeggen wij: "Man's extremity is God's opportunity" - vrij vertaald: "de allerlaatste, uiterste nood van de mens is Gods gelegenheid". Wonderen zijn niet deels bovennatuurlijk; zij zijn 100% bovennatuurlijk. God heeft onze hulp niet nodig. Hij kan het Zelf!

God helpen om wonderen te doen, is meestal God in de weg lopen en kan Zijn plannen zelfs dwarsbomen. Toen Abraham 75 jaar oud was en Sara, zijn kinderloze vrouw, 65, beloofde God hun een zoon. Een normale zwangerschap duurt ongeveer 9 maanden. Sara wachtte ongeveer 9 jaar. Maar toen, omdat zij nog altijd niet zwanger was, dacht ze dat het tijd werd om God te helpen om Zijn belofte te vervullen: Gen.16:3-4,15 "En Sarai … nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw. 4 En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger … 15 En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël." Gen.25:13-16 "Dit zijn dan de namen der zonen van Ismaël, genoemd naar hun afstamming: de eerstgeborene van Ismaël Nebajot, voorts Kedar, Adbeël, Mibsam, 14 Misma, Duma, Massa, 15 Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. 16 Dit zijn dan de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun tentenkampen, twaalf vorsten naar hun volksstammen.". Deze 12 zonen van Ismaël werden 12 vorsten wiens nakomelingen vandaag allemaal Arabische volkeren zijn. Als Abraham en Sara God niet hadden proberen te helpen om Zijn belofte waar te maken, zou er geen conflict vandaag in het Midden Oosten zijn!

3. "HEF UW STAF OP"
God heeft onze hulp niet nodig om wonderen te doen, maar wel onze medewerking. Er komt een moment in het proces van een wonder wanneer gebed en smeking in geloofsdaden overgaan. Het volk mag niet vrezen, moet stil zijn en standhouden. Mozes moet ophouden met tot God te schreeuwen; hij moet iets anders doen: v.16 "hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar; dan zullen de Israëlieten midden door de zee kunnen gaan op het droge.". "Niet vrezen", "stil zijn" en "standhouden", lijken een vreemde strategie om een heel volk aan de Egyptenaren te onttrekken. Maar wat Mozes opgedragen krijgt: "hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee" lijkt helemaal mal! Ik kan mij voorstellen hoe ik zou hebben gereageerd als ik in Mozes zijn schoenen stond. God zei: "Zeg tot de Israëlieten, dat zij opbreken.", maar Hij zegt niet in welke richting en wij kunnen geen kant uit! En nu zegt God: "Hef uw staf op" "Denkt God werkelijk dat ik, op 81 jarige leeftijd, de zeshonderd uitgelezen strijdwagens van Egypte, alle volledig bemand met tot aan de tanden bewapende ruiters, en de hele legermacht van de Farao op mijn eentje met mijn herdersstaf ga verslaan? "Strek uw hand uit over de zee" Wat moet dàt voorstellen? Heer, is dit werkelijk de beste strategie die U kunt bedenken? Hebt u geen beter idee?". Ja, God hééft een beter idee: "hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar; dan zullen de Israëlieten midden door de zee kunnen gaan op het droge.". Menselijk gezien stelde Gods strategie inderdaad niets voor, maar: v.21 "Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Here deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien, maakte haar droog, en de wateren werden gespleten.". Hebt u het gehoord? Mozes hief zijn staf op en strekte zijn hand uit over de zee, "en de Here deed de zee … wegvloeien, maakte haar droog, en de wateren werden gespleten.". "Niet vrezen", "stil blijven", "standhouden" en twee kleine geloofsgebaartjes waren alles wat nodig waren om een geweldig wonder in gang te zetten: v.22 "Zo gingen de Israëlieten in het midden der zee op het droge; terwijl rechts en links de wateren voor hen waren als een muur.".

Vanuit een brandende braamstruik in de Sinaï woestijn had God de aarzelende, onvrijwillige Mozes toegeroepen: Ex.4:2 "Wat hebt gij daar in uw hand? Hij antwoordde: Een staf". Een toverstaf? Neen: een gewone, alledaagse herdersstaf. Toch werd deze staf een slang toen Mozes hem op Gods bevel op de grond wierp, en weer een staf, toen hij hem van de grond weer opraapte (Ex.4:3-4). Diezelfde staf, toen Mozes dit ten aanschouwen van Farao en diens tovenaars deed, en de tovenaars van Farao hem nadeden, verslond hun staven (Ex.7:12). Diezelfde staf veranderde het water van de Nijl in bloed (7:20), en het stof der aarde tot muggen in het gehele land Egypte (8:17). Diezelfde staf deed het donderen en hagelen, en vuur neerschieten op aarde (9:23). En diezelfde staf ging later water uit de rots doen gutsen (Num.20:8), en de overwinning over de Amalekieten verzekeren (Ex.17:9). En nu zegt God: "Hef uw staf op". Ja, diezelfde gewone herdersstaf. Maar het gewone wordt buitengewoon in de handen van de Heer!

Wanneer Jezus beveelt om de schare te spijzigen, reclameren Zijn discipelen: "De plaats hier is eenzaam en het is reeds laat." (Mt.14:15) en: "Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen." (Joh.6:7). Andreas heeft wel een jongen gevonden "die vijf gerstebroden en twee visjes heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?". Jezus wil een wonder doen (Joh.6:6 "Hij wist zelf, wat Hij doen zou") en beveelt: Mt.14:16 "Geeft gij hun te eten." maar de discipelen antwoorden dat de ligging niet goed is, dat het uur te laat is, dat er niet genoeg geld in kas is, en dat zij totaal onvoldoende voedselvoorraad hebben. Weet u welke fout zij maken, waarom zij geen wonder teweegbrengen? Zij concentreren zich op het negatieve, op wat zij niet hebben, en op wat zij niet kunnen. Jezus weigert echter om Zich door het negativisme van Zijn discipelen te laten weerhouden. Zij concentreren zich op het negatieve, op wat zij niet hebben; Jezus concentreert Zich op wat Hij wèl heeft, hoe weinig ook: Marc.6:41-44 "Hij nam de vijf broden en de twee vissen, zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden en gaf ze aan de discipelen, dat die ze hen zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen. 42 En zij aten allen en werden verzadigd. 43 En zij raapten de brokken op, twaalf manden vol, en ook van de vissen. 44 En die de broden gegeten hadden, waren vijfduizend man. (Mt.14:21 vrouwen en kinderen niet medegerekend.)"

Mozes was aanvankelijk ook expert in negatief zijn. Toen God hem riep om de Israëlieten uit Egypte te leiden, antwoordde hij met een hele waslijst van wat hij niet had en wat hij niet kon: (Het Boek) Ex.3:11 "daar ben ik helemaal niet geschikt voor"; v.13 "Als ik naar de Israëlieten ga en hun zeg dat de God van hun voorouders mij heeft gestuurd, zullen zij vragen: 'Over welke God heb je het?' Wat moet ik dan antwoorden?"; 4:1 "Zij zullen mij niet geloven! Ze zullen het niet doen en zeker niet als ík het zeg. Zij zullen zeggen: 'De Here is helemaal niet aan u verschenen!". Toen vroeg God: "Wat hebt gij daar in uw hand?". God weet nog beter dan Mozes wat hij allemaal niet heeft. Maar God vraagt hem niet om te gebruiken wat hij niet heeft. Hij beveelt hem te gebruiken wat hij wel heeft: "Hef uw staf op". Het lijkt een klein, zwak, totaal zinloos gebaar. Maar Mozes' klein, gehoorzaam gebaar wordt het startsein voor een geweldig wonder. Wat wij in onze handen hebben, lijkt meestal ook helemaal onvoldoende in verhouding met de nood. Tegenover ongeneeslijke ziekten, kapotte huwelijken, werkloosheid, financiële schulden, depressie, angst, en verdriet kunnen wij vaak ook alleen een herdersstaf opheffen en onze handen uitstrekken. Tegenover de honger van de 5.000 hebben wij alleen 5 gerstebroden en 2 vissen aan te bieden. Tegenover kanker, multiple sclerose, ernstige hartklachten, slechte heupen enz. bieden wij alleen gebed, handoplegging en zalving met olie aan. Tegenover verdriet na overlijden zeggen wij alleen "innige deelneming". Het lijkt meestal zo weinig in verhouding tot de nood. Maar Jezus heeft niet veel nodig om een wonder te doen - geloof en gehoorzaamheid volstaan. Mozes had slechts een staf, maar daarmee spleet hij de Rode Zee. Simson had alleen een ezelskaak, maar daarmee versloeg hij 1.000 Filistijnen (Richt.15:15). David had alleen een slinger, maar daarmee doodde hij Goliath mee (1 Sam.17:40). De weduwe van Sarfat had alleen een handjevol meel en een beetje olie, maar daarmee voedde zij zichzelf, haar zoon en de profeet Elia gedurende de hele duur van de hongersnood (1 Kon.17). Jezus had alleen 5 broodjes en 2 visjes, maar daarmee spijzigde Hij 5.000 mannen, plus vrouwen en kinderen. De gemeente te Jeruzalem bad voor Petrus met slechts gebrekkig geloof, maar God zond Zijn engel om Petrus uit de gevangenis te bevrijden en hem van onthoofding te redden (Hand.12).

CONCLUSIE
Tweeduizend jaar geleden riep een minachtte, verachte, gefolterde, vals beschuldigde, gekruisigde Galileeër: Joh.19:30 "Het is volbracht!" - de laatste woorden van het zoveelste slachtoffer die de Romeinen tijdens hun schrikbewind in Israël terechtstelden. Weinigen hoorden Zijn gebed - slechts Zijn moeder, enkele andere vrouwen en een elftal mannen, eveneens Galileeërs, wiens hoop dat Hij de Messias was nu aan diggelen lag. Behalve Zijn kleed, dat onder Zijn beulen verloot werd, had Jezus niets anders te geven dan Zijn lichaam en Zijn bloed. Maar wat zo onbetekenend - zelfs verachtelijk - leek, veranderde drie dagen later in het grootste wonder in de geschiedenis van het heelal toen de gekruisigde opstond uit de dood! Fil.2:7-11 (Het Boek) "Hij legde Zijn grote macht en heerlijkheid af en kwam als dienaar in het lichaam van een mens. 8 Herkenbaar als mens, vernederde Hij Zich en gehoorzaamde tot het uiterste, zelfs tot in de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God Hem de hoogste plaats gegeven en Hem een naam gegeven, die Hem boven alles plaatst, 10 zodat in de naam van Jezus iedereen in de hemel, op aarde en onder de aarde zijn knieën zal buigen 11 en openlijk zal erkennen tot eer van God de Vader, dat Jezus Christus de Here is."

U, die een teken verlangt, en u, die een wonder nodig hebt: "Wat hebt gij … in ùw hand?" "Hef ùw staf op" vandaag. Strek uw hand uit vandaag. Al hebt u maar 5 broodjes en 2 visjes, geef ze aan de Meester. Kom zoals u bent - tekortkomingen en onvolmaaktheden incluis. Biedt de Heer aan wat u hebt - zonden en gebreken incluis. Hij zal er wonderen in uw leven mee doen.

Amen