Genesis 35:1-15

In preek worden we geconfronteerd met een gezin dat "zwaar in de problemen" zit. Het gaat immers helemaal niet goed in het gezin van Jakob. We zouden zelfs zonder overdrijving rustig kunnen stellen dat het in het leven van deze aartsvader tot een echt dieptepunt is gekomen.
Als u de samenhang van het verhaal niet meer zo goed kent, dan moet u  maar eens rustig de hoofdstukken 27 tot en met het begin van 35 er eens rustig op nalezen. En dan zult u het ten volle met me eens zijn: Jakob zit er "tot over zijn oren" in!
Stel uzelf maar even in de plaats van onze "aartsvader": zijn dochter Dina werd door de Sichemieten zopas onteerd. Dat kan je als vader en hoofd van de familie toch zeker niet onverschillig laten. En alsof dat feit op zich nog niet erg genoeg was, hebben zijn zonen er zich nog mee gaan bemoeien.
Ze hebben gemeend dat ze wraak moesten nemen. Dat is op zichzelf natuurlijk altijd verkeerd, maar bovendien hebben ze het op een alles behalve goed te praten manier gedaan: met mooipraterij hebben ze de stam van Hemor zo ver weten te krijgen, dat de mannen van dit volk zich lieten besnijden, zogezegd om op die manier huwelijken met vrouwen uit de stam van Jakob mogelijk te maken.

En wanneer dit gebeurd is, en de mannen van de Sichemieten liggen te bed - ziek van de wondkoorts - dan gaan de zonen van Jakob over tot de aanval en maken ze deze mensen in hun slaap af. Een laffe moordpartij, waarna ze dan de stad totaal plunderen en vrouwen, kinderen, vee en alle andere bezittingen als buit meenemen. We kunnen dit gerust "misdadigheid van de bovenste plank" noemen.
En Jakob steekt zijn afkeer en angst dan ook niet onder stoelen of banken: aan het einde van hoofdstuk 34 kunnen we lezen hoe hij tot Simon en Levi, die blijkbaar de leiding van de hele operatie in handen hadden, zegt:
"Gij hebt mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land."
Met andere woorden: door zo te handelen heb je mij het leven hier onmogelijk gemaakt. Je hebt bovendien ons hele gezin in groot gevaar gebracht! Het is niet onwaarschijnlijk dat er nu een nieuwe wraakactie van de tegenpartij komt... En we weten, ook uit de recente geschiedenis, maar al te goed tot welk eindeloos bloedvergieten zulke wederzijdse vergeldingsacties kunnen leiden.
Hebt u zich nog nooit afgevraagd hoe het mogelijk is dat gelovige mensen soms ook zulke zware problemen, moeilijkheden of beproevingen in hun leven moeten doormaken? Hebt u die vraag misschien zelfs al ooit voor jezelf gesteld: "Waarom moet mij dit overkomen?". Of u kent toch op z'n minst mensen uit eigen omgeving of kennissenkring die "diep in de puree" zaten... En dan stellen we toch de vraag: "Waarom grijpt God hier nu niet in?". Nu het er zo penibel aan toe gaat mag God mij of hem of haar toch niet in de steek laten?
Zo'n beeld van God hangen wij toch heel graag op: een grote, almachtige God, die ons doen en laten vanaf een grote afstand gadeslaat en die ons zoveel mogelijk met rust laat maar wèl klaarstaat om in te grijpen wanneer het grondig mis dreigt te lopen. Jaren geleden hoorde ik het in een prediking eens iemand de ÄNWB”god noemen. Ik betaal trouw mijn bijdrage en wanneer ik Hem dan nodig heb dan verwacht ik ook dat Hij klaar staat om mij te helpen.
En die God moet nu, nu er in het gezin van de leider van Zijn "uitverkoren volk" zo'n zware problemen zijn ontstaan, toch zeker ingrijpen. Jakob is toch de "aartsvader", de drager van gods belofte. Hém zal de Here toch zeker niet in de steek laten? De Bijbel barst toch van de beloften met betrekking tot Gods hulp en bijstand?
Wanneer ons leven op een dieptepunt gekomen is, dan mogen wij er inderdaad op vertrouwen dat God ons ter hulp zal komen. Maar dan is het ook het moment om eventjes stil te staan en ons te bezinnen. Het moment om ons af te vragen waarom het zo gelopen is, waarom we in zulke situatie zijn terecht gekomen. Een te bekijken wat we zelf kunnen en moeten veranderen.
En precies daarom is onze preek zo leerzaam en zo belangrijk. Er zit véél meer in dit verhaal, dat we bij een oppervlakkige preek zouden vermoeden. Goed om dus alles eens op een rijtje te zetten.
God spreekt inderdaad tot Jakob in deze moeilijke ogenblikken. Maar de opdracht die de Heer aan Jakob geeft lijkt me op het eerste gezicht toch een beetje vreemd:
"Maak u reisvaardig, trek naar Betel en blijf daar."
Zo staat er in het eerste vers. Wil de Here dan dat Jakob maar zo snel mogelijk op de vlucht gaat om een eventuele weerwraak van de Kanaänieten en Ferezieten op die manier te ontlopen?
Ik geloof niet echt dat, dàt Gods bedoeling is. Om de opdracht van de Heer te begrijpen moeten we even teruggaan naar hoofdstuk 28, het tiende vers, in hetzelfde boek Genesis.
Toen ­ zoveel jaren eerder ­ was Jakob voor de eerste keer in Betel. En merkwaardig genoeg: toen was hij ookop de vlucht. Hij liep toen weg van huis om de wraak van zijn broer Ezau te ontlopen. U herinnert zich wel hoe Jakob op een listige manier, met medewerking van zijn moeder Rebekka, Ezau het eerstgeboorterecht had ontfutseld.
En dan herinneren we ons misschien ook de mooie en beloftevolle droom die Jakob die nacht in Betel kreeg: een fantastisch visioen waarin hij een ladder zag die tot aan de hemel reikte een waarlangs engelen op en neer klommen en waar bovenaan de Here zèlf stond.
Het was in die nacht dat God de belofte, die hij eerder aan Abraham en Isaäk gedaan had, nu aan Jakob hernieuwde: het land ­ waarop hij nu lag ­ zou het land van zijn nageslacht worden en dat nageslacht zou talrijk worden als het stof der aarde. Dat "uitverkoren volk" zou zich uitbreiden naar het Westen, Oosten, Noorden en Zuiden en alle geslachten van de aarde zouden daaruit gezegend worden".
Toen Jakob wakker werd deed hij, precies op deze plaats, een belofte aan de Here. Hij beloofde God, wanneer deze hem verder zou begeleiden, hem zou voorzien van voedsel en kleding en ervoor zou zorgen dat hij achteraf veilig en wel bij zijn vader thuis zou kunnen weerkeren... dan zou Jakob op deze plaats, daar in Betel, een heiligdom voor die God oprichten.
En die morgen stelde Jakob, als bezegeling van die gelofte, de steen waarop zijn hoofd had gerust tot een "opgerichte steen" en hij goot er olie over. Die steen werd het teken van de belofte die hij tegenover de Here gedaan had.
Wat zien wij, zoveel jaren later? De Here is zijn belofte nagekomen; God heeft Jakob zelfs méér gezegend dan verwacht: Jakob is een welgesteld man geworden! Hij bezat nu vele kuddes, een legertje dienstknechten en personeel, een groot gezin... Jakob was iemand die "er warmpjes inzat".
God had bovendien Jakob niet alleen veilig terug thuis gebracht. Hij had er zelfs voor gezorgd dat er opnieuw een verzoening met zijn broer Ezau tot stand was gekomen. We kunnen gerust stellen dat de belofte langs de kant van de Here was vervuld... méér dan vervuld zelfs.
En hoe staat het aan de kant van Jakob? In Betel staat nog altijd een "opgerichte steen", maar nog altijd geen altaar, geen heiligdom!
Dat is dan misschien de eerste vraag die wij, als het in ons leven tot een dieptepunt is gekomen, moeten stellen vooraleer we ons tot de Heer wenden: hebben wij ­ u of ik ­ misschien nog ergens een "opgerichte steen" staan? Is er misschien nog een belofte, die we op zeker moment aan de Here deden, nog onvervuld gebleven.
Hoe vaak heb ik misschien gebeden: "Here, als U ervoor zorgt dat ik dit of dat verkrijg... dan zal ik eens wat meer ernst gaan maken met mijn gebedsleven; dan zal ik eens wat meer tijd maken voor mijn Bijbelstudie; dan zal ik erover waken dat ik de samenkomsten trouwer bezoek...".
Laat ieder voor zich dit lijstje maar compleet maken! Net als bij Jakob: een "opgerichte steen". Als God dit of dat doet, dan zal ik... Maar de steen staat er nog steeds!
En weet u: ik twijfel er geen moment aan dat Jakob een lange lijst had met héél goede redenen waarom die steen daar in Betel nog altijd was blijven staan: wat zal die man het druk hebben gehad in de afgelopen jaren! Beeld u maar eens in: de zorg voor een groot gezin, de verantwoordelijkheid voor een groot bedrijf met een massa vee en een legertje personeel... Waar moet je dan nog de tijd vinden om een heiligdom of een altaar te gaan bouwen?
Maar hoe dan ook: God heeft zijn belofte gehouden en Jakob niet! En wanneer Jakob nu opnieuw in de problemen zit, is het eerste wat hij moet doen: het met God in orde brengen. Hij moet terug naar Betel en zijn belofte nakomen.
Jakob heeft dit blijkbaar wel begrepen. Uit wat we verder lezen blijkt dat hij het niet alleen begrepen heeft, maar dat hij er ook verder over nadenkt en er alle consequenties uit trekt. Hij moet "schoon schip" maken met God: niet alleen die "opgerichte steen" staat blijkbaar tussen hem en de Here... er zijn nog een paar zaken die nu maar eens eerst in het reine moeten getrokken worden. Nu we toch aan het "opruimen" zijn moeten we daar dan ook maar eens mee beginnen!
Het eerste wat Jakob nu beveelt aan al de zijnen is dat ze alle "vreemde goden", alle afgoden, moeten wegdoen.
We weten al uit de vorige hoofdstukken dat die afgoden er waren. Lees maar even de verzen 22 tot 35 uit hoofdstuk 31! Wanneer Jakob bij zijn schoonvader Laban wegtrekt, dan neemt zijn vrouw Rachel stiekem de huisgoden ­ de terafim ­ mee. We lezen dat Laban de familie van Jakob achtervolgt en de tent binnenkomt waar die afgodsbeeldjes verstopt liggen. We weten hoe Rachel er op een listige manier in slaagt om deze afgoden voor haar vader toch verborgen te houden.
En er zullen misschien nog wel andere afgoden geweest zijn; onder de bedienden en knechten van Jakob zullen er ook wel geweest zijn die afgoderij bedreven. En ook dààr zat Jakob natuurlijk weer fout. Als hoofd van het gezin en als leider van het bedrijf was hij hiervoor medeverantwoordelijk.
Zelfs al boog hij zich misschien niet zèlf voor die afgoden: hij mocht hun aanwezigheid niet dulden. We weten immers uit de Bijbel dat afgoderij voor de Here de grootste gruwel is die er bestaat.
De allereerste waarschuwing in de tien geboden luidt: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben". In heel het Oude Testament lezen we hoe God dienaars van afgoden keer op keer zwaar straft. Hele volken, zelfs Gods "eigen volk", worden herhaaldelijk gestraft als ze in afgoderij vervallen. Haast alle profeten hebben hier voortdurend tegen gewaarschuwd: "Afgoderij is voor de Here een gruwel. Hij is de Enige en de almachtige God en naast Hem kunnen geen andere goden bestaan!"
En we zien hoe vaak mensen hebben gedacht dat dit wel kon. En steeds opnieuw waarschuwt de Bijbel dat het onmogelijk is. Ook Jezus herhaalt het: "Gij kunt niet God dienen en Mammon" (Mattheüs 6:26).
Juist die keuze had men in het gezin van Jakob niet willen maken. Men diende zeker de "ware God", Jahweh, maar men wilde ook de familie-goden trouw blijven. En misschien was dat wel de reden waarom het in dit gezin de verkeerde kant uitging: men kan niet tegelijkertijd aan God gebonden zijn en aan wereldse afgoden.
U en ik, wij knielen natuurlijk niet voor afgoden! Wij hebben geen afgodsbeelden in huis. Maar we moeten ons wel bewust zijn dat alles wat ons van de Here kan weghouden, alles wat een zeker beslag legt op ons leven en onze tijd, een "afgod" kan worden. En daar moeten we waakzaam voor blijven.
Onze auto, onze TV, ons hobby... het kunnen stuk voor stuk afgoden worden in ons leven. Onze drang naar steeds meer bezit... Paulus schrijft in Colosensen 3, vers 5, heel terecht dat hebzucht een afgod is!
Dat was dus het eerste wat Jakob, nog voor zijn vertrek naar Betel, met de Here in orde moest brengen: alle afgoden moesten weg uit zijn leven, uit zijn gezin, uit de kring van zijn dienaren. We lezen in vers 4 dat Jakob dat héél serieus aanpakt: alle vreemde goden, alle sieraden, de ringen die in hun oren waren... het werd allemaal weggedaan en door Jakob persoonlijk begraven. Wèg met al die dingen waar ze tot dan toe veel en veel te veel aan vast gezeten hadden!
Sieraden en afgoden waren in die tijd heel nauw met mekaar verbonden. Sieraden dienden voornamelijk als amuletten; er werd een beschermende kracht aan toegeschreven en we weten dat ook vandaag sieraden nog vaak gedragen worden in de overtuiging of met de hoop dat ze de drager zullen beschermen of geluk zullen bijbrengen. Horoscopen en sieraden met bepaalde halfedelstenen ­ waar een zekere magische kracht aan toegeschreven wordt ­ gaan ook nu nog als warme broodjes over de toonbank!
Zelfs bij mensen die helemaal niet bijgelovig zijn spelen sieraden ook een soort "beschermende" functie, zij het dan iets meer materialistisch. Ze worden dan vaak beschouwd als een soort "appeltje voor de dorst" om ons te beschermen in slechtere tijden.
Wie zijn leven op de Heer bouwt, heeft geen afgoden en geen amuletten nodig; zijn of haar hulp komt van de Here, en alleen van de Here.
De sieraden èn de afgoden waren dus door Jakob opgeruimd en begraven. Maar er was nog méér:
"Reinigt u en verwisselt uw klederen".
Dat was het volgende "ordewoord" in vers 2. Ook dat moest dus nog gebeuren alvorens ze naar Betel konden trekken om daar op een waardige wijze voor de Here een heiligdom te gaan bouwen.
Reiniging en verwisselen van kliederen... we komen dat in de Bijbel veelvuldig tegen. En het is telkens het uiterlijk teken van een nieuwe start, het afleggen van het oude en het helemaal opnieuw beginnen.
En precies dat moeten we kunnen en durven doen wanneer we in ons leven op een of andere manier een "dieptepunt" bereikt hebben; wanneer en problemen zijn of zelfs gewoon geestelijke vermoeidheid of "dorheid".
Dan is het, het moment om ons te reinigen van alles wat in ons leven verkeerd gaat; het moment om ons los te maken van alles waarmee we eigenlijk niet zo goed voor de Here durven te verschijnen. Precies dan moeten we Hem in alle nederigheid vragen om ons te reinigen, om ons te helpen een en ander nu eens voorgoed uit ons leven te verwijderen.
En dan moeten er kliederen worden verwisseld! Is reinigen alleen dan niet voldoende? Ik geloof dat er achter dat "wisselen van kliederen" twee belangrijke dingen schuil gaan.
Het eerste ligt voor de hand: wie zich reinigt, en dan terug zijn vieze oude spullen aantrekt, die wordt natuurlijk opnieuw vuil. Het effect van zijn "reiniging" zal maar van heel korte duur zijn.
Maar ook het tweede effect van het "wisselen van kliederen" is heel belangrijk. Wanneer ik andere klederen aantrek, dan kunnen ook anderen zien dat er in mijn leven iets veranderd is; het wordt dan ook voor anderen zichtbaar dat er iets vernieuwd is.
En precies dat is voor ons vaak een delicaat punt: die "oude klederen" wegdoen; dat "imago" naar de buitenwereld, dat we vaak zo zorgvuldig hebben opgebouwd. Precies zó willen we overkomen bij onze familie, onze vrienden, onze collega's. Ze moeten er toch niet mee geconfronteerd worden dat we "anders" zijn, dat we de Heer dienen?
Die oude kleren... ze zitten ons "als gegoten". Ze zorgen ervoor dat we ons honderd procent "thuis" voelen in onze buurt, in onze kennissenkring, op ons werk.
Maar dat is niet wat God van ons vraagt. In hoofdstuk 12, vers 2, van de Romeinenbrief lezen we: "Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld" en in dezelfde brief, hoofdstuk 8, vers 29, staat dat we "bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon".
Dus, of we het nu prettig vinden of niet: we moeten ons reinigen en de "oude kleren" moeten weg. We moeten nieuwe mensen worden, apart gezet voor de Heer.
En nu is Jakob klaar om naar Betel te trekken. Drie dingen heeft hij moeten doen om over het dieptepunt in zijn leven heen te komen:

  1. Hij moest alle vreemde goden, alle bindingen met afgoden, uit zijn leven weg doen;
  2. Hij moest zich reinigen en nieuwe kliederen aantrekken: zijn leven zowel innerlijk als uiterlijk vernieuwen;
  3. Hij moest de beloften die hij tegenover de Heer had gedaan nakomen.

Dan kan de Here met Jakob verder gaan. God zal "verder wandelen" met Jakob, hem "goedgunstig zijn", nadat het in zijn leven zo tot een ommekeer is gekomen. Misschien heeft de psalmist wel aan deze gebeurtenis gedacht, toen hij psalm 85 neerschreef:
"Gij zijt uw land goedgunstig geweest, O Here,
in het lot van Jakob hebt Gij een keer gebracht;
Gij hebt de ongerechtigheid van uw volk vergeven,
al hun zonden bedekt.
Gij hebt weggedaan al uw verbolgenheid,
U afgewend van uw brandende toorn."

Zo bracht God een ommekeer in het leven van Jakob... nadat hij eerst zelf in zijn leven enkele dingen in orde had gebracht. Ook al kon Jakob aan zijn omstandigheden niets veranderen; wat gebeurd was, was nu eenmaal gebeurd.
Daarom, tot slot van deze preek, dit gebed. Ik weet niet wie het ooit heeft geschreven, maar het is heel toepasselijk voor wie in zijn leven in een dieptepunt is terecht gekomen en zich eerlijk de vraag wil stellen of hij of zij misschien iets in zijn houding tegenover de Here dient te veranderen:
Heer,
Geef mij de moed om die dingen te aanvaarden, die ik niet kan veranderen;
Geef mij de kracht om die dingen te veranderen die ik moet veranderen;
Geef mij de wijsheid om het verschil te zien tussen die twee.

Amen.