Deze week deel 2

Groeien vanuit de Bron van het Leven

Laten wij lezen: Jeremia 2:4-13, Johannes 7

Hoe wil de Heer dat wij vandaag in de kerk zijn?
Zoals het nu gaat, is dat goed? Kan dat beter?
Welke visie hebben wij op hoe de kerk moet functioneren?
Met dat soort vragen is de kerkenraad bezig en daar wordt de gemeente deze week ook bij betrokken in de ‘visievorming’.
We willen met elkaar nadenken over hoe wij een gemeente zijn.
Doen we de dingen goed?
En: doen we wel de goede dingen?
Moeten er misschien andere accenten gelegd worden? Bijvoorbeeld meer gericht naar  buiten de gemeente? Of meer accent op onderlinge hulp?
Over dat soort vragen gaat het.

Maar in deze preek niet.
Ik wil in met deze preek meer naar de basis gaan.
We doen een heleboel dingen in de kerk.
En misschien willen we nog wel meer gaan doen. Of andere dingen.
Maar waarom doen we die dingen?
Wat is de motivatie daarvoor? Wat is de motivatie voor ouderlingen om minstens twee of soms drie avonden in de week uit hun gezin weg te gaan en op bezoek te gaan of te vergaderen?

Wat is de motivatie voor een evangelisatiegroep om regelmatig een zaterdag in het winkelcentrum te staan en folders uit te delen, terwijl je zo weinig direct resultaat ziet?
Wat motiveert de koster om meer te doen dan in zijn werkcontract staat?
En als we tot de conclusie zouden komen dat we in een andere richting meer aan het werk zouden moeten, wat geeft dan de energie om dat op te pakken en vol te houden?

Je kunt het ook zeggen in het beeld van een plant. Als we willen dat de gemeente in een bepaalde richting groeit en bloeit, kunnen we alvast stokken neerzetten om die groeiende plant langs omhoog te leiden.
Maar het belangrijkste is: hoe krijgt die plant water genoeg om te groeien?
Hoe houden we de motivatie om samen in de gemeente aan het werk te gaan?

Daarover gaat het in deze preek.
U KUNT ALLEEN GROEIEN VANUIT DE BRON VAN HET LEVEN
1. geen stilstaand eigen water
2. maar het levende water van Christus

We lezen in Jeremia 2.
Het volk Israël wordt aangesproken door de profeet Jeremia. Een boodschap van de HEER hun God. Een heel verwijtende boodschap: jullie hebben Mij ingeruild voor andere goden. Je hebt mij aan de kant geschoven.
Dat was inderdaad de situatie.
Het volk Israël had de goden overgenomen van andere volken.

Nu bedoel ik niet dat je dat ook over onze gemeente kan zeggen. Gelukkig niet.
Maar Jeremia gebruikt hier wel een uitdrukking die voor ons betekenis kan hebben.
De HEER zegt: ze hebben mij, de bron van levend water, verlaten en ze hebben hun eigen waterkelders uitgehouwen.

U moet eens proberen aan te voelen wat dat beeld betekent.
Een bron van levend water. Dat is in dat land Israël een put waar altijd fris, vers water uit te halen is. Het kan nog zo heet zijn, maar uit zo’n bron krijg je altijd fris water. Heerlijk!
Je hebt ook waterkelders. Dat waren grote bakken die de mensen uitgegraven hadden. Ze werden zo goed mogelijk waterdicht gemaakt en daar werd in de regentijd water in opgevangen. Als je geen bron in de buurt had, dan kon je je een tijdlang redden met het water uit zo’n zelf gegraven waterbak.
Maar je begrijpt wel, als het flink heet werd, was zo’n waterbak al gauw niet erg fris meer. En dan liep het water vaak ook nog weg door de scheuren die er in kwamen.

Als je dicht bij je huis een echte bron met levend water hebt, waar altijd vers water uit te halen is, dan ga je daar toch niet een deksel opleggen en voortaan alleen maar vies water halen uit zo’n leeglopende waterbak?
Dat is net zo stom als dat wij een grote vijver in onze tuin zouden graven en die vol zouden laten regenen en dan de waterleidingmaatschappij bellen met het verzoek om afgesloten te worden van de waterleiding. Want we hebben genoeg aan het water uit onze eigen tuin...

Toch heeft Israël dat gedaan.
Ze hebben de bron van levend water verlaten.
Die bron is God de HEER zelf.
Hij is een bron die nooit ophoudt. Je kunt altijd bij Hem komen; je kunt bij Hem altijd weer energie krijgen. Vertrouwen, toekomst.
Zo wilde de HEER voor zijn volk zijn.
Hij wilde dat ze bij Hem alles kwamen halen en Hij wilde het geven ook.

Zo staat het bijvoorbeeld in vers 6. De Israëlieten hadden moeten zeggen: ‘waar is de HEER, die ons uit Egypte heeft bevrijd, die ons heeft geleid door de woestijn?’.
Dei bevrijding uit Egypte is het grote voorbeeld van redding, van hulp.
Je ziet vaak in de bijbel dat het volk Israël om hulp vraagt bij de HEER en dan verwijst naar die bevrijding uit Egypte: HEER, u hebt toen uw volk verlost, verlos ons ook nu.
Dat is precies wat de HEER wil.
Dat is nou met je emmer komen bij de bron van levend water.
HEER, ik heb u leren kennen als de God die helpt en bevrijdt, help nu ook mij!

Hulp zoeken bij de HEER.  In vers 8 staat het nog een keer: ‘waar is de HEER’.
Het is hetzelfde als we vorige week lazen in Jesaja 55: zoek de HEER nu hij zich laat vinden; roep hem terwijl hij nabij is.
Met je lege emmertje naar de bron van leven gaan en daar kracht verwachten van Hem.

Maar Israël ging niet meer naar die bron.
Ze groeven zelf waterkelders.
En zeg nou niet meteen ‘wat stom’, want waterkelders hadden natuurlijk ook voordelen.
En echte bron, dat was soms wel wat verder lopen. Een stuk het dal in bijvoorbeeld.  En dan je emmer heel diep laten zakken.
Ophijsen en dan terug met je volle emmer de berg op.
Een waterkelder legde je achter je eigen huis. Op de plek waar het jou uitkomt. Lekker dichtbij. Niet moeilijk doen, het gaat toch prima zo. Je kunt het water zo eruit scheppen.
Als je niet al te hoge eisen stelde, kon je met zo’n waterbak best uit de voeten.
Als je na een tijdje niet beter weet, dan mis je dat levende water niet eens meer.
Als iemand anders dan zegt ‘kom joh, als je een half uurtje loopt dan weet ik een bron met heerlijk water’, dan denk je ‘waarom zou ik moeilijk doen, het gaat toch goed zo?’

U begrijpt misschien wel, ik beschrijf het nu zo omdat ik denk dat het zo in de kerk kan gaan.
Dat we gewend geraakt zijn aan onze eigen waterbak. We weten wat er in zit, het verrast ons niet. Maar dat hoeft ook niet, want we voelen ons er prima bij.
Het is precies de vorm die bij ons past.
We weten niet beter of we doen het zo.
Het gaat eigenlijk wel goed zoals het gaat...

Het kan heel makkelijk gebeuren dat je als kerk of ook persoonlijk niet meer drinkt van het levende water. Dat je niet meer de moeite neemt om echt diep te gaan met je emmer.
Je gaat gewoon naar de kerk, je betaalt je collecte, je krijgt je huisbezoek, je gaat eens naar een gemeentevergadering - prima toch...
Je voelt je thuis in de kerk, maar vooral omdat je, je er gewoon goed bij voelt. Je bent er ook in opgegroeid, dus je weet niet beter.
Maar het borrelt niet.
Het is allemaal wat doods.

Ik zeg niet dat je een gemeente zo kunt typeren. Maar dit gevaar is er voor ons net zo goed.
En als je dan bezig zou gaan met visie, misschien wel met een nieuwe richting, andere accenten - dan is het maar de vraag of daar motivatie voor is.
Of mensen zich daar voor in willen zetten.
Waarom moet dat allemaal zo nodig?
Het is de vraag of je dan wel genoeg water hebt voor groei. Of er wel genoeg kracht is om samen met iets bezig te gaan.
Als we leven vanuit onze eigen waterbakken, en het gaat zoals het gaat omdat het altijd al zo gaat, dan mis je de bruisende kracht die God wil geven.

Dan is het nodig om weer naar de bron van het leven te gaan.
Naar Jezus Christus.

We lezen in Johannes 7.
Ik hoop dat u die tekst in uw hoofd hebt. Daar staat zo’n belofte in!
Jezus staat in Jeruzalem. Het is Loofhuttenfeest.
Waarschijnlijk werd er op dat feest ook iets gedaan met water, met kruiken water die binnengedragen werden.
Dan roept Jezus: wie dorst heeft, kan beter bij Mij komen en bij Mij drinken.
Ik geef levend water. Niet een beetje, niet voor even, maar rivieren van levend water.
Dat is nog meer dan een bron waar je diep in moet bukken.
Het is een rivier. Het stroomt zowat over je heen. Een overvloed.

Johannes schrijft: dat gaat over de Heilige Geest.
Jezus belooft zijn Geest voor iedereen die in geloof met Hem verbonden is.
In Handelingen 1:8 zegt Jezus dan zelf: wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen.
Het levende water van de Geest geeft kracht, geeft energie, geeft motivatie.
Dat kun je zien in Handelingen, na Pinksteren.
Wat gebeurt er als de Geest komt: iedereen zet zich in. Samen gaan ze werken in de gemeente van Christus. En die groeit enorm.

Want Jezus geeft de kracht ervoor. Levend water.
Steeds weer nieuw water.
Zoals Israël het steeds moest zoeken bij de HERE, de God die hen bevrijdde uit Egypte - zo mogen wij het steeds zoeken bij Christus die opstond uit de dood en ons bevrijdt. Hij geeft nieuw leven. Hij geeft zijn Geest.
Steeds weer moeten we dat levende water bij Hem gaan halen.

Hij belooft dan zelfs: rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft.
Het stroomt dus niet alleen maar bij Christus vandaan je hart in.
Maar het stroomt ook uit je, naar anderen. Het is zoveel, dat je het weg kunt geven.
Wat een verschil!
Bij je eigen waterbak moet je zuinig zijn. Stel dat hij kapot gaat en je water loopt weg, wat heb je dan nog?
Maar het levende water van de Geest van Christus is een overvloed.

U begrijpt: hier vind je de motivatie, de basis voor alle bezig zijn in de kerk.
Hier moeten we uit putten, niet alleen om over visie na te denken maar zeker ook om er in de praktijk mee aan het werk te zijn.
Putten uit de bron, putten uit Christus.

Luister naar de oproep van Jezus: laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken.
Steeds weer komen. Steeds weer drinken.

Lieve mensen,
pas dit nu eens toe op uzelf. Of je nu wel of niet actief bent in de kerk.
Denk er zelf eens over na: gaat u, ga jij steeds naar Christus? Laat je, je steeds weer verrassen en vollopen met zijn levende water?
Zelf heb ik wel perioden dat ik na een tijdje ontdek dat ik wat droog kom te staan.
Ach, alles gaat wel door. Maar als ik eerlijk ben, leef ik uit mijn eigen waterbak.
Dan is het heerlijk om bijvoorbeeld in een gesprek met iemand iets te krijgen van het levende water uit zijn binnenste. Ik dank God soms voor gesprekken die ik met mensen heb; mensen die me het levende water weer geven.
Dat smaakt altijd naar meer. Dan ga ik veel vaker weer die put opzoeken.

Ik nodig u uit om daar voor uzelf over na te denken.
En ik hoop en bid dat binnen en vanuit iedere gemeente de  rivieren van het levende water zullen stromen!

AMEN