Deel 5 in de serie “Omgaan”

Lezen: 1 Kronieken 13 en 15 - 16:3

Was dat nou echt nodig, dat Uzza dood neerviel?
Wat kon hij er aan doen? Hij bedoelde het toch alleen maar goed?
David had het verkeerd gedaan, Uzza niet.
En dan meteen dood neervallen - is dat niet wat overdreven van God?

Ik kan me voorstellen dat die vraag je dwars zit.
Ik wil daar de preek niet over laten gaan. Maar misschien heb je wel zoveel last van die vragen, dat het goed is om daar eerst even iets over te zeggen.
In het Oude Testament ging God anders met mensen om dan nu. Hij maakte meer dan nu de dingen duidelijk door het heel zichtbaar te maken.
Net zoals je dat bij kleine kinderen doet.
God maakte toen aan David en heel het volk iets duidelijk door het sterven van Uzza. Maar daarna bijvoorbeeld ook door de zichtbare zegen in het huis van Obed-Edom.
Dat was de manier waarop God toen dingen duidelijk maakte.

Wees blij dat de manier waarop God dingen duidelijk maakt, veranderd is.
Maar Hijzelf is niet veranderd.
Daarom is de vraag: wát maakte de Heer hiermee duidelijk.
Niet met kritische vragen blijven steken bij de manier waarop, maar doorvragen: waar ging het om?

DE HEER LAAT ZIEN DAT HIJ DE LEVENDE GOD IS.
In de omgang met Hem moet je altijd
1. vragen wat Hij wil
2. beseffen dat Hij de Levende is.

Wat ging er de eerste keer mis?
Ik denk dat veel mensen het verhaal in grote lijnen al wel kenden.
Dan weet je ook wat het probleem was: de ark had niet mogen rijden op een wagen, maar hij moest worden gedragen. Zo staat het in de wetten van God en daar had David zich niet aan gehouden.

Maar wat kunnen wij daar mee?
Wij hebben geen ark meer, dus wij hoeven niet te weten dat je hem moet dragen in plaats van rijden.
Maar als je nauwkeurig luistert naar het verhaal, zitten er allerlei dingen in die wel heel herkenbaar zijn. Ook al is onze situatie heel anders.
David heeft een plan.
De ark, de gouden troon van de HEER, staat nog in Kirjat-Jearim. Hij is daar min of meer gestrand, toen hij terugkwam van de Filistijnen.
Die ark hoort daar niet. Die hoort in de tabernakel, die tempeltent. Maar die staat in Silo en inmiddels is Jeruzalem de hoofdstad. Dus heeft David het plan om eerst maar eens die ark naar Jeruzalem te halen.
Opvallend in hoofdstuk 13 is dat David daar uitgebreid overleg over heeft.
Eerst met de legerleiding - zoiets als het kabinet.
En dan ook met het volk - misschien met een bepaalde afvaardiging; je zou haast zeggen: met de tweede kamer.
Uitgebreid overleg.
David doet niet zomaar iets.

En luister dan goed wat hij zegt. Hij noemt twee dingen (vers 2): als u het ermee eens bent en als de HEER, onze God, ons vrij baan geeft.
David zoekt dus naar draagvlak binnen het volk: is men het ermee eens.
Dat is al iets wat je heel praktisch kunt toepassen als wij bezig zijn met hoe je vorm geeft aan de liturgie: zorg voor draagvlak in de gemeente. Niet zomaar iets doen, maar overleggen.
Maar ook: de HEER moet het goed vinden.
Twee voorwaarden: draagvlak binnen het volk en de HEER moet het goed vinden.

Wat lees je dan verder?
Vers 4: De hele vergadering stemde ermee in, want het volk achtte het juist.
Het voorstel wordt breed gedragen.
En dan gaan ze.
David roept meteen alle Israëlieten bij elkaar. Er wordt gezorgd voor een splinternieuwe wagen. Het is niet niks wat ze gaan doen: ze gaan Gods ark ophalen.
Het wordt een groot feest, er wordt muziek gemaakt en gedanst.
Fantastisch....

Het staat er allemaal zo uitbundig, dat je haast eroverheen zou lezen dat er iets niet staat.
Maar er mist één ding.
David had het zo goed gezegd: er zijn twee voorwaarden.
Draagvlak binnen het volk, dat is er wel. Ze staan te dansen en te springen.
Maar vindt de HEER het ook goed?

Daar staat niets over!
Dat hebben ze niet eens meer gevraagd!

David geeft dat achteraf zelf toe.
15:13, daar stond in de vorige vertaling: omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde.
Het Hebreeuwse woord dat daar staat, wordt vaak gebruikt voor: iets vragen aan de HERE. Via de priester of een profeet of op een andere manier.
Het aan de HERE voorleggen.
David deed dat een andere keer wel. 1 Samuel 30:8, David raadpleegde de HEER: moet ik deze bende achtervolgen. ‘Ja’, antwoordde de HEER.

Zo had David dit ook aan de HERE kunnen voorleggen.
‘Zal ik uw ark uit Kirjat-Jearim halen en naar Jeruzalem brengen?’
Hij had het aan de priesters kunnen vragen.
Die hadden dan ook meteen hem kunnen vertellen: de ark moet gedragen worden en niet gereden op een wagen.
Maar de priesters waren amper in beeld bij David.
Hij overlegde met zijn legerleiding. In hoofdstuk 13 staan de bevelhebbers over duizend en over honderd voorop. Pas in hoofstuk 15 staan de nakomelingen van Aäron en de Levieten aan het begin.
Terwijl David daar had moeten beginnen: wat wil de HEER?

Hij wist het zo goed: twee voorwaarden. Draagvlak bij het volk èn goedkeuring van de HERE.
Maar hij heeft niet serieus gevraagd wat de HEER wilde.

Daarom ging het mis.
Op een harde manier (typisch het Oude Testament) laat de HEER zien: zo wil ik het niet.
Je kunt heel mooie plannen hebben. Je kunt er met z’n allen achter staan.
Dat zal goed bedoeld zijn.
Maar de belangrijkste vraag is toch: wat wil God?
Zo kunnen wij ook met de liturgie bezig zijn. Hoe vullen we de kerkdienst in?
Dan kunnen we gaan bedenken hoe wij het graag hebben. Wat spreekt mij aan? Waar voel ik me goed bij?
Maar de belangrijkste vraag is: wat wil God?
Het gaat in de kerkdienst om omgang met Hem.
Hoe wil Hij dat wij die omgang vormgeven?

Je kunt dat ook persoonlijk toepassen. Je eigen omgaan met God.
Je gebed. Het naar de kerk gaan. Tijd maken voor Hem.
Daar ben je allemaal verschillend in. Maar je kunt niet volstaan met ‘ik doe het op de manier waar ik me goed bij voel’.
Er is misschien niet één standaard-vorm. Maar er is wel één standaard-vraag: HEER, hoe wilt U het?

Ik maak het nog wat breder. Niet alleen in de vorm waarin je met de HEER omgaat. Ook in allerlei beslissingen in je leven. Wel of niet zoeken naar een betere baan. Wel of niet steriliseren? Samenwonen ja of nee?
Laat daarin niet alleen je eigen gevoel spelen.
Ook niet: het voelt zo goed, dit zal wel de wil van de HEER zijn.
Nee, steeds vragen en zoeken: Heer, wat wilt U?
Laat het niet zo zijn dat je achteraf, net als David, moet toegeven: wij hadden Hem niet  geraadpleegd, zoals het behoorde.

            Terug naar de liturgie.
Dit is wel een bijzonder moment in de liturgiegeschiedenis.
David haalt de ark naar Jeruzalem. De nieuwe hoofstad van het rijk in opbouw wordt nu ook het liturgisch centrum van Israël.
David gaat straks nog verder, met plannen en bouwtekeningen voor een tempel.
En met heel wat liturgische veranderingen. David geeft allerlei voorschriften voor muziek in de eredienst.
Dat begint allemaal met het ophalen van de ark.

Bij dát begin laat de HEER duidelijk zien wie Hij is.
David en alle mensen om hem heen moeten vanaf het begin heel goed weten als ze bezig gaan met de dienst aan de HERE: de HERE is de levende God.
Liturgie, tempeldienst, kerkdienst, het is omgang met God die leeft.
Geen dode God, geen zelfverzonnen God.
Maar de levende.
Hij laat Uzza zomaar neervallen.
En Obed-Edom, waarschijnlijk een allochtoon, krijgt zegen als de ark bij hem in huis staat.

Die ark is niet zomaar een mooie kist.
Aan die ark is de naam van de HEER verbonden.
Het staat met nadruk in 13:6, de ark van de HEER, waaraan een bijzondere naam verbonden is, namelijk van hem die op de cherubs troont.
De troon van de levende God.
Iets doen met die ark, dat is omgaan met de levende HEER.
Bezig zijn in de liturgie, in de eredienst, dat is bezig zijn in het krachtenveld van de levende God.
Dat is nooit vrijblijvend.
En dan kun je niet zomaar wat doen.
Als je daar onzorgvuldig in bent, vallen er slachtoffers.
Maar als je daar goed mee omgaat, is het vol zegen.

Dat is gebleven.
Er is veel veranderd. Wij hebben geen ark meer, geen tempel.
Maar de HEER is nog steeds de levende God.
De naam van die levende God is niet meer verbonden met een gouden kist, maar met Jezus Christus.
Jezus heeft het zelf gezegd: Vader, Ik heb uw naam bekend gemaakt aan de mensen.
Als mensen bij elkaar zijn in de naam van Jezus Christus, dan is de levende God bij hen.
Zo mag je dat ook over onze kerkdiensten zeggen.
Als we hier in de kerk bij elkaar zijn in de naam van Jezus Christus, dan is God bij ons. Een kerkdienst is omgang met Hem.
Hier is hetzelfde krachtenveld als destijds bij Peres-Uzza.
Hier is de levende God.

Neem je Hem niet serieus, dan kunnen er slachtoffers vallen.
Hebreeën 12 zegt: laten we God zo dienen dat hij er behagen in schept, met eerbied en ontzag. Onze God is een verterend vuur.
Bij Uzza was dat direct te zien. Hij viel dood neer.
Dat is vandaag anders. Als je hier in de kerk zit, maar je sluit je af voor Jezus Christus, zul je niet direct van je stoel vallen.
Maar God is nog steeds een verterend vuur.
Het krachtenveld van de levende God in de kerk kan zich tegen je keren. Als je wel in de kerk zit, maar je schuift Christus aan de kant.

Maar dat krachtenveld is ook vol zegen.
Hier in de kerk mag je ervaren dat God er is.
Zo mogen we ook de kerkdiensten vormgeven, dat we dat voluit kunnen beleven.
Ja, de levende God is hier. Zijn kracht geeft zegen in je leven.
Hij is hier als wij de naam van Jezus Christus uitroepen.
Hij is hier, als we samen zingen tot eer van God.
Daar mag je ook kracht uit krijgen.
Van een kerkdienst mag kracht en rust uitgaan. Een zegen om mee naar huis te nemen.

En maak ook dit maar persoonlijk:
De levende God wil in uw en jouw leven zijn, als je je hulp zoekt bij Jezus Christus.
Hij wil je leven laten bloeien, als je omgang zoekt met Hem.

AMEN

AMEN