Preek van de week  27

Lezen:Hebreeën 9:1-15, 10:19-31

De vorige preek ging over de vraag: wat is eigenlijk een kerkdienst?
Vanuit Exodus 20 hebben we de lijn doorgetrokken naar vandaag: de HERE geeft ons omgang met Hem.
Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen.

Een machtige belofte. Tegelijk een uitnodiging:
Mijn volk, kom bij Mij.
Dat is ‘omgang’: over en weer. De HERE komt naar ons, wij mogen naar Hem toe.
Hij nodigt ons uit.

Eén van de mooiste teksten daarover is volgens mij Hebreeën 10:19vv.
Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom; laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof.
Zo zou je elke kerkdienst kunnen beginnen: gemeente, de HERE nodigt ons uit, de weg naar Hem is open; kom, laten we samen naar Hem toegaan.

Als je dan verder leest wat er in Hebreeën over gezegd wordt, springt er één ding uit: wij mogen naar God toegaan, door het offer van Jezus Christus.
Omgang met de HERE, dus ook een kerkdienst, is er alleen door het offer.

Daar wil ik in deze preek dieper op in gaan. Want dat zegt ook wel wat over onze kerkdiensten, en over hoe we hier zitten.

We gaan via Hebreeën 10 en 9 terug naar het Oude Testament, daarna weer naar Christus en de lijn door naar ons vandaag

 

Hebreeën 10:19.
Daar gaat het over een weg naar het heiligdom. De nieuwe en levende weg van Jezus Christus.
(Er staat in de NBV ‘een weg naar een nieuw leven’, maar ik volg hier toch maar de vorige vertaling: een nieuwe en levende weg.
Dat is de weg naar het heiligdom.
Heiligdom is hier: de hemel, de plek van God zelf.
Hebreeën 10 zegt: de weg naar God is open.
Kom maar, je kunt zomaar naar God, naar de Heer.
Maar nog niet zo lang daarvoor stond er op die weg naar God een groot bord: doorgaand verkeer gestremd.
U kent dat wel, zo’n bord. Rood-witte afzettingen, in het donker zo’n knipperend licht erbij en met grote zwarte letters op een geel bord: afgesloten voor alle verkeer.
Je kunt er echt niet langs.

Zo’n bord stond op de weg naar God.
Eén hoofdstuk eerder in Hebreeën.
Hebreeën 9:8, Hiermee maakt de heilige Geest duidelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom niet zichtbaar is. Er zat nog wat voor.
De weg naar het heiligdom was nog geblokkeerd.

Het gaat daar over de tabernakel.
Vroeger bij het volk Israël.
We weten allemaal: de tabernakel, dat was die heilige tent, een soort verplaatsbare tempel.
Je weet: die bestond uit twee stukken: het heilige en het heilige der heiligen.
In dat allerheiligste stond de ark van God. Die mooie gouden kist. Als een soort troon voor de HERE.

Daar mocht niemand komen.
Er zat een zwaar gordijn voor en dat zal altijd dicht.
Eén keer per jaar mocht er iemand doorheen. Alleen de hogepriester.
Met het bloed van een geofferd dier.
Eén dag in het jaar. Verder zat het gordijn altijd dicht.

Hebreeën 9 legt uit: daaraan kon je zien dat de weg naar de HERE in de hemel nog dicht was.
Er zat de hele tijd een gordijn tussen het volk Israël en de HERE in de hemel.
Ze konden niet zomaar naar de HERE toegaan.
De weg was afgesloten.

Denk daar eens even over na, wat hier staat.
We lazen vorige week in Exodus 20 de belofte van de HERE: Ik zal bij jullie zijn. En in het Oude Testament lees je er veel over dat God heel dicht bij zijn volk Israël was. Misschien word je soms wel eens jaloers en denk je: ik wou dat wij dat vandaag nog meemaakten.
En toch, zegt Hebreeën 9, die omgang was nog maar heel beperkt.
De weg naar het hemelse heiligdom was nog dicht.
De HERE God kwam wel naar zijn volk toe, maar het was toch niet zo dat je als Israëliet zomaar bij God als het ware de hemel in kon lopen.
Er was omgang met de HERE en toch stond er nog dat bord: doorgaand verkeer gestremd.

[Nu loop ik even vooruit op de preek: dat bord staat er nu niet meer! Heel die wegafzetting is opgeruimd. Wat Israël niet mocht, mag u wel: bij God binnenlopen. Zomaar het hemelse heiligdom in.... wij zijn echt veel rijker dan Israël toen!]

Terug naar het Oude Testament.
Doorgaand verkeer gestremd.
Waarom?
Door de zonde.

Juist die ene keer dat de hogepriester wel naar binnen mocht, laat dat zien: hij mocht alleen naar binnen met bloed bij zich.
Hij moest het bloed van een geofferd dier voor zich uit dragen.
HERE, ik weet dat ik hier eigenlijk niet mag komen, want ik heb gezondigd; daarom heb ik een offer gebracht.
Dit dier is gedood - eigenlijk had ik gedood moeten worden.

Je kunt niet zomaar bij de HERE binnenlopen.
Want je bent een zondaar. Je hebt gezondigd.

Je kent dat gevoel misschien wel.
Je hebt iets stoms gedaan. Ik noem maar wat: je hebt in de schuur iets lopen zoeken; je bent ergens op geklommen, toen heb je plank laten vallen en daar stonden potten op met verfkwasten. Alles kwam naar beneden - een zooitje.
Je durft eigenlijk het huis niet meer in.
Wat zal je vader zeggen....

Zoiets.
Dat gevoel: nu kan ik niet zomaar bij hem komen alsof er niets gebeurd is.
Zo kunnen wij niet zomaar bij de HERE komen.
Want er is nogal iets gebeurd!
Wij hebben er een zooitje van gemaakt.

Heel dat offer-ritueel bij de tabernakel liet dat zien: je kunt niet zomaar bij de HERE komen.
Hebreeën 10:3, elk jaar worden met dezelfde offers de zonden weer in herinnering geroepen.

Het liet elke keer weer zien: zo erg is het.
Omdat wij zijn zoals we zijn en doen zoals we doen, kunnen we niet bij de HERE komen. Want Hij is heilig. Hij ziet direct hoe wij zijn en Hij zegt: zo wil Ik je hier niet.
Doorgaand verkeerd gestremd voor zondige mensen.

De enige manier waarop er toch een stuk omgang kon zijn van de HERE met zijn volk, was als er geofferd werd.
In zijn genade heeft de HERE gezegd: echte toegang tot Mij is er nog niet, maar als je dierenoffers brengt dan kom Ik toch bij jullie en wil Ik toch omgang met jullie hebben.
Denk aan de tekst van vorige week. Exodus 20. Daar geeft de HERE de opdracht: maak voor Mij een altaar, offer daarop je offers - en dan de belofte: Ik zal bij jullie komen.

Dat zie je in alle regels over de tabernakel en later de tempel: de HERE wil dat er geofferd wordt. Elke dag offers voor Hem. Eén keer per jaar de grote verzoendag, met offers voor de zonde van het volk.
Je ziet het steeds terugkomen: omgang met de HERE - alleen als er geofferd wordt.

Het bittere is eigenlijk: juist als die offers lieten zien dat de weg naar God uiteindelijk toch niet echt open lag. Aan de ene kant maakten die offers het mogelijk dat er omgang was. Tegelijk lieten ze zien: er blijft iets staan tussen God en mens.
Want de offers moesten elke keer weer overnieuw.
De Hebreeën-schrijver legt daar nadruk op in hoofdstuk 10. Vers 1: jaar in jaar uit moesten steeds dezelfde offers worden gebracht.
Vers 11: steeds opnieuw dezelfde offers.
Want uiteindelijk werd door die offers niet echt de weg naar God opengelegd. 10:11, al die offers konden nooit de zonden doen.

Dat is de conclusie ook in 9:9. De weg naar het heiligdom was nog niet zichtbaar, want er werden gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaakte zuiverheid kunnen brengen.
Ondanks alle offers lag de weg naar God niet helemaal open.

Maar dan het evangelie van Jezus Christus. Hebr.9:11
Maar Christus - Hij is (vs.12b) voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing verworven
Jezus Christus heeft ook geofferd. Geen schaap, geen kalf, maar zichzelf.
Hij heeft zichzelf geofferd door zijn marteldood aan het kruis.

Dat offer heeft de weg wel echt opengelegd.
Dat bord ‘doorgaand verkeer gestremd’ is weg.
Wat staat er nu?
Jezus Christus staat er.
Ik ben de weg naar de Vader.
Kom door Mij - de weg ligt open.
10:19: een nieuwe en levende weg die Hij gebaand heeft.
Door Hemzelf heen.
Door zijn bloed.
Dankzij zijn offer.

Jezus Christus is de toegang tot God.
‘Niemand komt door de Vader dan door Mij’.
Als je gelooft in de Zoon van God die zichzelf offerde om jouw zonden, heb je via Hem vrije toegang tot God. De weg is open voor omgang met de Here.

De oproep is dan: kom nu ook echt via Hem naar God.
10:19, we kunnen zonder schroom binnengaan, de weg ligt open, het offer is gebracht - laten we God dan naderen met een oprecht hart.
Laten we die omgang met de HERE nu ook beleven.
Loop zijn heiligdom binnen.
Je mag kind aan huis zijn bij God in de hemel.

Pas dat maar heel persoonlijk toe.
Je mag bidden, je mag via Jezus Christus zo naar God toe gaan.
Maakt u daar gebruik van? Ga je regelmatig over die weg, het heiligdom in?

Ik wil het vooral toepassen op de kerkdienst. Wat betekent dit voor de kerkdienst?

Laat ook in de kerkdienst duidelijk zijn dat wij omgang met de HERE hebben alleen door het offer van Jezus Christus.
Het is niet vanzelfsprekend dat wij ‘s zondagmorgens hier komen, gaan zitten, de dienst beginnen en dat dan de HERE bij ons is.
Dat is alleen door dat offer van Christus.
Daarom is het goed om elke week weer daar te beginnen.
Beginnen met schuldbelijdenis.
‘HEER, wat ons betreft is de weg weer opgebroken.’
Schuld belijden. Zonden erkennen. Voelen dat we niet zomaar bij God kunnen komen.

Dan het evangelie horen van het kruis van Jezus Christus.
En samen een beroep doen op dat offer. In de naam van Jezus naar de troon van God gaan. De troon van genade: Heer, vergeef ons onze schulden. In de naam van Jezus Christus, wees bij ons.

Het is goed om die opbouw in de dienst te hebben.
En het is goed om zelf zo de dienst mee te maken.
Jezelf schuldig voelen. Het evangelie van het kruis aannemen. Je bevrijd voelen.
De weg naar God gaan via Jezus Christus.
Weten dat God bij je is dankzij het offer van zijn Zoon.

Maakt dat het niet erg zwaar, als je elke week weer moet horen over zonden en schuld?
Kun je niet veel fijner een kerkdienst beginnen met een heleboel praise-liederen in plaats van met een schuldbelijdenis?
Beginnen met een loflied - graag. Dat laat ik ook bijna altijd doen.
Maar niet dit aan de kant schuiven.
Ik heb expres doorgelezen in Hebreeën 10.
Daar staan heel zware woorden: Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God! En Hebreeën 12:29, onze God is een verterend vuur.
Dreigende woorden.
Neem ze serieus: wij hebben echt nog steeds het offer nodig.
Alleen door het offer van Jezus Christus is er omgang met God mogelijk.
Alleen door Hem is de levende God voor ons de genadige Vader.

Laten we daarom met schuldbelijdenis, met beroep op zijn kruis, steeds weer naar God toegaan. De weg is open door Jezus Christus.

AMEN